Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
201202875/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling op 24 februari 2012 alsmede ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting door de Rb. op 7 maart 2012 niet kon worden uitgesloten dat de vreemdeling afkomstig is uit Noord-Somalië (Somaliland) en het zicht op uitzetting naar dat gebied eerst per 17 april 2012 is komen te ontbreken, heeft de Rb. terecht overwogen dat niet op voorhand kan worden gezegd dat zicht op uitzetting ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202875/1/V3

Datum uitspraak: 6 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2012 in zaak nr. 12/6599 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 maart 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en tweede grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet op voorhand kan worden gezegd dat zicht op uitzetting naar Somalië ontbreekt.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat uit het Algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2012 volgt dat zich in de stad Mogadishu ten tijde van zijn inbewaringstelling een situatie voordeed, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad voor de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304; hierna: de richtlijn), waardoor het ervoor moet worden gehouden dat het voor hem onmogelijk is om terug te keren naar Somalië. Voorts stelt de vreemdeling dat hij in beroep bij de rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 15 december 2011 in onder meer zaak nr. 11/38815 (LJN: BU8321). In die uitspraak is overwogen dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië bestaat nu uit de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2011, in zaak nr. 201107448/1/V3 (www.raadvanstate.nl), volgt dat het zicht op uitzetting naar Noord Somalië ontbreekt en dat, indien de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet vaststaan, het tevens niet mogelijk is om te bepalen of voor de vreemdeling veilige terugkeermogelijkheden naar en vestigingsalternatieven in Zuid- en Centraal Somalië bestaan. In dat kader heeft de rechtbank Groningen gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, in zaken nrs. 8319/07 en 11449/07, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int/echr en JV 2011/332). Niet valt in te zien waarom de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet in de lijn met de uitspraak van de rechtbank Groningen tot het oordeel is gekomen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië ontbreekt, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2012 in zaak nr. 201202473/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, is het voor een persoon niet mogelijk om via de stad Mogadishu door te reizen naar zijn herkomstgebied elders in Zuid- en Centraal-Somalië omdat hij in de stad Mogadishu louter door zijn aanwezigheid aldaar een risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde schade. Voor wat betreft Noord-Somalië (Somaliland) is in die uitspraak overwogen dat het zicht op uitzetting eerst per 17 april 2012 is komen te ontbreken nu de minister enige tijd toekwam om een nader onderzoek in te stellen naar alternatieve terugkeerroutes naar Somaliland, waaronder de mogelijkheid om vreemdelingen uit dat gebied via een binnenlandse vlucht van Mogadishu naar Hargeisa uit te zetten.

2.1.2. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de minister heeft aangevoerd dat de nationaliteit, identiteit en herkomst van de vreemdeling nog niet vaststaan en dat hij twijfelt aan de door de vreemdeling gestelde Somalische nationaliteit. De minister heeft evenwel betoogd dat hij er vooralsnog van uitgaat dat de vreemdeling de Somalische nationaliteit bezit en dat het uitzettingstraject enkel is gericht op Somalië.

2.1.3. Nu ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling op 24 februari 2012 alsmede ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting door de rechtbank op 7 maart 2012 niet kon worden uitgesloten dat de vreemdeling afkomstig is uit Noord Somalië (Somaliland) en het zicht op uitzetting naar dat gebied eerst per 17 april 2012 is komen te ontbreken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet op voorhand kan worden gezegd dat zicht op uitzetting ontbreekt.

De grieven falen.

2.2. Grief 3 mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2012

345-644

Verzonden: 6 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser