Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
201205869/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rb. heeft terecht overwogen dat een door een lidstaat van de Europese Unie aan een andere lidstaat gericht verzoek tot overname of terugname van een vreemdeling op grond van de Verordening niet als terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn valt aan te merken, zodat deze richtlijn in zo'n geval niet van toepassing is. Zij heeft echter niet onderkend dat art. 6, lid 2 van de Terugkeerrichtlijn, welke bepaling thans is opgenomen in art. 62a, lid 3 Vw 2000, niet ziet op terugkeer van een vreemdeling naar zijn land van herkomst maar van toepassing is op vreemdelingen die een verblijfsrecht hebben in een andere lidstaat. Nu de vreemdeling blijkens informatie van de Dublin Liaisonambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in België door de Belgische autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, was de minister ingevolge art. 62a, lid 3 Vw 2000 gehouden hem eerst te bevelen zich onmiddellijk naar België te begeven en had de minister de vreemdeling niet in bewaring mogen stellen alvorens hem de gelegenheid was geboden dit bevel op te volgen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 62a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/408

Uitspraak

201205869/1/V3.

Datum uitspraak: 6 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 juni 2012 in zaak nr. 12/16570 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 juni 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn betoog dat toepassing van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van

18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben gekregen in een andere lidstaat dan Nederland, artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) betekenisloos maakt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de minister in zo'n geval geen keus, maar dwingt dat artikel de minister hem op te dragen zich onmiddellijk naar de betrokken lidstaat te begeven. In dit verband wijst de vreemdeling op de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2012 in zaak nr. 201103734/1/V3 (www.raadvanstate.nl) en stelt hij dat daarin het dwingendrechtelijke karakter van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) is bevestigd.

2.1.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201103206/1/V3 (www.raadvanstate.nl), overwogen dat een door een lidstaat van de Europese Unie aan een andere lidstaat gericht verzoek tot overname of terugname van een vreemdeling op grond van de Verordening niet als terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn is aan te merken, zodat deze richtlijn niet van toepassing is omdat die richtlijn alleen ziet op terugkeer naar een land buiten de Europese Unie. Dit brengt mee dat de minister niet gehouden was de vreemdeling op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 op te dragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Anders dan de vreemdeling betoogt maakt dit artikel 62a van de Vw 2000 niet betekenisloos nu de minister niet verplicht is toepassing te geven aan de Verordening en in plaats daarvan er voor kan kiezen toepassing te geven aan voornoemd artikel, aldus de rechtbank.

2.1.2. Uit het dossier blijkt het volgende. Blijkens een memo van 15 mei 2012 van de Dublin Liaisonambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in België heeft de vreemdeling op 9 november 2005 in België een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag is afgewezen, maar waartegen nog een beroep met schorsende werking zou lopen. Blijkens dat memo zijn twee door de vreemdeling ingediende verzoeken om regularisatie ingewilligd en is hij op 19 mei 2011 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning geldig tot 5 mei 2016. Op 21 april 2012 is de vreemdeling door de Koninklijke Marechaussee aangehouden wegens het bezit van een vervalst paspoort. Na beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op 21 mei 2012 is hij aansluitend in bewaring gesteld. Op 16 mei 2012 heeft de minister bij de Belgische autoriteiten een claimverzoek ingediend om de vreemdeling terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening. Op 30 mei 2012 is dit verzoek gehonoreerd. Op 5 juni 2012 is de vreemdeling overgedragen aan de Belgische autoriteiten.

2.1.3. Op 31 december 2011 is de wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn in werking getreden (Staatsblad 2011, 663, 30 december 2011).

2.1.4. Volgens artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is het eerste lid van toepassing.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000 stelt onze minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij, onderdeel b, de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.

Ingevolge het derde lid, wordt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijk vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

2.1.5. Zoals volgt uit de uitspraak van 24 april 2012 in zaak nr. 201103734/1/V3 (www.raadvanstate.nl) kan de minister ingevolge artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, in de situatie dat hij niet twijfelt aan het door de betreffende vreemdeling gestelde verblijfsrecht in een andere lidstaat, die vreemdeling niet in bewaring stellen zonder hem eerst te bevelen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die lidstaat te begeven en hem in de gelegenheid te stellen dit bevel op te volgen.

Artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is inmiddels geïmplementeerd in artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. De Afdeling ziet geen grond over die bepaling anders te oordelen dan zij in voormelde uitspraak over artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn heeft gedaan.

2.1.6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een door een lidstaat van de Europese Unie aan een andere lidstaat gericht verzoek tot overname of terugname van een vreemdeling op grond van de Verordening niet als terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn valt aan te merken, zodat deze richtlijn in zo'n geval niet van toepassing is. Zij heeft echter niet onderkend dat artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, welke bepaling thans is opgenomen in artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000, niet ziet op terugkeer van een vreemdeling naar zijn land van herkomst maar van toepassing is op vreemdelingen die een verblijfsrecht hebben in een andere lidstaat.

2.1.7. Nu de vreemdeling blijkens informatie van de Dublin Liaisonambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in België door de Belgische autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, was de minister ingevolge artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 gehouden hem eerst te bevelen zich onmiddellijk naar België te begeven en had de minister de vreemdeling niet in bewaring mogen stellen alvorens hem de gelegenheid was geboden dit bevel op te volgen.

2.1.8. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 mei 2012 van de minister alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de

Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 21 mei 2012 tot 5 juni 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 juni 2012 in zaak nr. 12/16570;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.250,00 (zegge: twaalfhonderdvijftig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2012

345.

Verzonden: 6 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser