Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
201205990/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het feit dat de minister aan het laten voortduren van de maatregel een motivering ten grondslag heeft gelegd die anders luidt dan de motivering van de oplegging van de maatregel maakt niet dat de mededeling van 2 mei 2012, inhoudende dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt voortgezet, moet worden beschouwd als een besluit tot oplegging van de maatregel. De uitspraak van 8 juni 2012 betreft derhalve een uitspraak, bedoeld in art. 96, lid 2 Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205990/1/V4.

Datum uitspraak: 31 juli 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 juni 2012 in zaken nrs. AWB 12/17183 en 12/17188 in de gedingen tussen:

de vreemdelingen

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 23 april 2012 is ten aanzien van de vreemdelingen een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 8 juni 2012, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank de tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 juni 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens hebben zij daarbij de Afdeling verzocht hun schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de

Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. De door de vreemdelingen ingestelde beroepen betreffen beroepen in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregelen, die bij besluiten van 23 april 2012 krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 zijn opgelegd. De daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen zijn door de rechtbank bij uitspraak van 9 mei 2012 (zaak nrs. AWB 12/13884 en 12/13887) ongegrond verklaard. Het feit dat de minister aan het laten voortduren van de maatregel een motivering ten grondslag heeft gelegd die anders luidt dan de motivering van de oplegging van de maatregel maakt niet dat de mededeling van 2 mei 2012, inhoudende dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt voortgezet, moet worden beschouwd als een besluit tot oplegging van de maatregel. De uitspraak van 8 juni 2012 betreft derhalve een uitspraak, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000.

Gelet op het vorenstaande staat tegen de uitspraak van 8 juni 2012, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000, geen hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Hetgeen de vreemdelingen te dien aanzien hebben aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is.

2.3. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012

393.

Verzonden: 31 juli 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser