Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
201112914/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft slechts eenmaal deelgenomen aan een demonstratie voor de Iraanse ambassade te Den Haag, die, zo heeft hij ter zitting betoogd, geen massaal karakter had, waarbij hij foto's van Mahmoud Ahmadinejad en Neda Agha Soltan heeft vastgehouden en leuzen heeft geroepen. Zijn deelname aan deze demonstratie heeft, naar niet in geschil is, geen speciale aandacht gekregen in de media. Weliswaar is de vreemdeling te zien op foto's en een filmpje op internet, maar daarbij zijn zijn personalia niet vermeld. De voorzieningenrechter heeft voorts onbestreden overwogen dat het besluit van 29 december 2010, waarbij de minister de eerste aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft afgewezen omdat het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, in rechte vaststaat.

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Iran een reëel risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/410

Uitspraak

201112914/1/V4.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 december 2011 in zaak nrs. 11/35381 en 11/35380 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 december 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2.2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 11 augustus 2010, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 29 december 2010 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 23 augustus 2011 heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 oktober 2011 in zaak nr. 201110161/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het daartegen door de vreemdeling ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Op 24 oktober 2011 heeft de vreemdeling de aanvraag ingediend die heeft geleid tot het besluit van 1 november 2011.

2.2.4. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 24 oktober 2011 ten grondslag gelegd dat hij op 14 februari 2011 heeft deelgenomen aan een demonstratie voor de Iraanse ambassade te Den Haag. Hiervan zijn foto's en een filmpje gemaakt die op het internet zijn geplaatst. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de deelname aan deze demonstratie een nieuw gebleken feit betreft dat na het besluit van 29 december 2010 is voorgevallen, waarvan op voorhand niet is uitgesloten dat het aan dat besluit kan afdoen.

2.3. De minister klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat aan het standpunt van de minister dat er geen signalen zijn dat de vreemdeling in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan vanwege zijn deelname aan de demonstratie geen voldoende motivering ten grondslag ligt. Daartoe voert hij aan dat de bewijslast ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 op de vreemdeling rust. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken kan volgens de minister niet worden afgeleid dat de Iraanse autoriteiten alle in het buitenland verblijvende en demonstrerende Iraniërs daadwerkelijk in de gaten houden of kunnen houden.

2.3.1. Volgens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke onderscheidende kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende. Uit het arrest van het EHRM van 15 mei 2012 in zaak nr. 52077/10, S.F. en anderen tegen Zweden (www.echr.coe.int/echr), blijkt dat, zoals de voorzieningenrechter eveneens heeft overwogen, Iraanse autoriteiten communicatie via het internet en critici van het regime in de gaten houden, zowel binnen als buiten Iran. Ook blijkt uit dit arrest dat Iraniërs die terugkeren naar Iran bij aankomst worden onderzocht.

Uit het voorgaande volgt niet dat Iraanse autoriteiten alle Iraniërs in de gaten houden waarvan informatie op het internet te vinden is of dat zij alle Iraniërs die terugkeren naar Iran bij aankomst onderzoeken.

De vreemdeling heeft slechts eenmaal deelgenomen aan een demonstratie voor de Iraanse ambassade te Den Haag, die, zo heeft hij ter zitting betoogd, geen massaal karakter had, waarbij hij foto's van Mahmoud Ahmadinejad en Neda Agha Soltan heeft vastgehouden en leuzen heeft geroepen. Zijn deelname aan deze demonstratie heeft, naar niet in geschil is, geen speciale aandacht gekregen in de media. Weliswaar is de vreemdeling te zien op foto's en een filmpje op internet, maar daarbij zijn zijn personalia niet vermeld. De voorzieningenrechter heeft voorts onbestreden overwogen dat het besluit van 29 december 2010, waarbij de minister de eerste aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft afgewezen omdat het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, in rechte vaststaat.

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Iran een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 november 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. Het betoog van de vreemdeling omtrent het aan de aanvraag van 24 oktober 2011 ten grondslag gelegde duplicaat van een geboorte- en identiteitsbewijs, faalt. Nu de vreemdeling de authenticiteit van dit document niet heeft aangetoond, is geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als onder 2.2.2. bedoeld.

2.6. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij tijdens de gehoren in de eerste asielprocedure geen melding heeft gemaakt van de bekering tot het christendom aangezien hij in de veronderstelling verkeerde dat hem reeds vanwege zijn asielrelaas een verblijfsvergunning asiel zou worden verleend.

2.6.1. Aan de aanvraag van 24 oktober 2011 heeft de vreemdeling voorts ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Hij heeft een doopakte overgelegd, waarin staat dat hij op 12 december 2010 is gedoopt. De vreemdeling heeft vóór het besluit van 29 december 2010 de bekering tot het christendom niet als asielmotief naar voren gebracht, ondanks dat dit wel mogelijk was. Nu een bekering tot het christendom voor de beoordeling van de eerdere aanvraag van belang kon zijn, had de vreemdeling daarover dienen te verklaren. Dat hij veronderstelde dat hem reeds vanwege zijn asielrelaas een verblijfsvergunning asiel zou worden verleend, maakt niet dat de vreemdeling de bekering tot het christendom niet reeds in het kader van de eerdere aanvraag had kunnen en derhalve had moeten aanvoeren. Nu voorts niet is aangetoond dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 1 november 2011, afgezien van de onder 2.3.1. verrichte toetsing, geen plaats.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 december 2011 in zaak nr. 11/35380;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen. w.g. Sloots

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

499.

Verzonden: 8 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser