Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201106300/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Weerdinge, pluimveehouderij Vledders" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5210

Uitspraak

201106300/2/R4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen,

2. [appellant sub 2A], en [appellant sub 2B] (hierna: [appellanten sub 2]), beiden wonend te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen,

en

de raad van de gemeente Emmen en het college van burgemeester en wethouders van Emmen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Weerdinge, pluimveehouderij Vledders" (hierna: het plan) vastgesteld.

Bij besluiten van 2 mei 2011 heeft het college aan [kuikenmesterij] bouwvergunningen verleend voor respectievelijk het bouwen van drie pluimveestallen met bijbehorende voedersilo's en een mengruimte, het plaatsen van een weegbrug en het bouwen van een loods. Bij besluit van 2 mei 2011 heeft het college aan [kuikenmesterij] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij op het adres [locatie 1] te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen. Bij besluit van 2 mei 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning verleend voor de aanleg van een uitweg ten behoeve van het perceel [locatie 1].

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2011, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2011, beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De raad en het college en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2012, waar [appellant sub 1], van wie [appellant sub 1A] in persoon, bijgestaan door mr. A. van der Leest en G. Duister, schrijftolk, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 1A], en de raad en het college, tezamen vertegenwoordigd door ing. F. de Jonge en ing. A.A.H. van Noort, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [kuikenmesterij], vertegenwoordigd door mr. ing. G.J. Kremers, J.K. Star en [belanghebbende].

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvragen om een revisievergunning en bouwvergunningen voor de inwerkingtreding van de Wabo zijn ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Bestreden besluiten

2.2. De bestreden besluiten maken tezamen de uitbreiding van de door [kuikenmesterij] geëxploiteerde pluimveehouderij aan de [locatie 1] te Nieuw-Weerdinge mogelijk. De pluimveehouderij heeft thans twee bedrijfslocaties: de locatie aan de [locatie 1] en de locatie aan het [locatie 2]. De activiteiten op laatstgenoemde locatie zullen worden beëindigd na de realisatie van de uitbreiding aan de [locatie 1].

Het plan biedt een juridisch-planologische basis voor de uitbreiding van de pluimveehouderij. Voorts zijn er bouwvergunningen verleend voor de bouw van drie nieuwe pluimveestallen met bijbehorende voedersilo's en een mengruimte, het plaatsen van een weegbrug en de bouw van een opslagloods. Daarnaast is een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting en het in werking hebben van de gehele inrichting na de uitbreiding, alsmede een vergunning voor de aanleg van een uitweg ten behoeve van het ten zuiden van de [locatie 1] gelegen nieuwe deel van de pluimveehouderij.

Coördinatieregeling

2.3. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). De besluiten zijn gelijktijdig bekend gemaakt.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van de Wro kunnen bij besluit van de gemeenteraad gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen, dan wel een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een projectbesluit, de procedure beschreven in artikel 3.11 toegepast.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, van de Wro worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als één besluit aangemerkt:

a. indien toepassing is gegeven aan artikel 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, of 3.35, eerste lid, onder b, de daarbedoelde besluiten;

b. indien toepassing is gegeven aan artikel 3.30, eerste lid, onder b, 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder c, het besluit omtrent vaststelling van het daarbedoelde bestemmingsplan of inpassingsplan, een projectbesluit daaronder begrepen, wijzigings- of uitwerkingsplan en de daarbedoelde besluiten,

voor zover deze besluiten met toepassing van artikel 3.32 gelijktijdig bekend zijn gemaakt.

Algemene beroepsgronden

2.4. [appellanten sub 2] voeren aan dat na de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen nog stukken en berekeningen zijn toegevoegd waarvan de omwonenden geen kennis hebben kunnen nemen.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.31, derde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van besluiten, bedoeld in het eerste lid, afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.4.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan ervan worden uitgegaan dat het bij de door [appellanten sub 2] bedoelde stukken en berekeningen gaat om documenten die pas na afloop van de termijn voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot stand zijn gekomen of in bezit van de raad en het college zijn gekomen. Het betreft onder meer een nader onderzoek naar de cumulatieve geurbelasting dat naar aanleiding van de zienswijzen over het ontwerpbesluit is uitgevoerd en een actualisatie van de luchtkwaliteitsberekeningen. Nu kan worden aangenomen dat de raad en het college gedurende de termijn voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit nog niet over deze stukken beschikten, bestaat geen grond voor het oordeel dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is gehandeld.

Verder overweegt de Afdeling dat uit de Wro, de Wet milieubeheer noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat de raad dan wel het college gehouden is indieners van zienswijzen door toezending dan wel terinzagelegging in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan of met betrekking tot de beslissing op de aanvraag om een vergunning die na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan hem bekend worden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit aanleiding bestaan betrokkenen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en aan hen gelegenheid te bieden daarop te reageren. Dergelijke omstandigheden doen zich naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet voor, nu het gaat om relatief geringe aanvullingen op en actualisaties van eerdere, met het ontwerpbesluit ter inzage gelegde, onderzoeken en documenten.

Voor zover [appellanten sub 2] tevens beogen aan te voeren dat niet alle op de bestreden besluiten betrekking hebbende stukken met die besluiten ter inzage zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten sub 2] voeren aan dat sommige vergunningen zijn verleend aan [kuikenmesterij] en andere aan [belanghebbende] persoonlijk. Volgens hen hadden alle vergunningen aan dezelfde persoon of rechtspersoon moeten worden verleend.

2.5.1. Uit de stukken blijkt dat alle vergunningen zijn verleend aan [kuikenmesterij], met uitzondering van de uitwegvergunning, die aan [belanghebbende] is verleend. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen rechtsregel die zich hiertegen verzet.

Deze beroepsgrond faalt.

Vergunning op grond van de Wet milieubeheer

Algemeen toetsingskader Wet milieubeheer

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Intrekking vergunning [locatie 2].

2.7. [appellanten sub 2] betogen dat bij het bestreden besluit ten onrechte niet is voorzien in beëindiging van de pluimveehouderij op de [locatie 2].

2.7.1. De pluimveehouderij wordt thans uitgeoefend op twee locaties, te weten de locatie ten noorden van de Vledders en de [locatie 2]. Voor de twee bedrijfslocaties zijn afzonderlijke vergunningen verleend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [kuikenmesterij] de bedrijfsactiviteiten op de [locatie 2] wenst te beëindigen na de ingebruikname van de drie nieuwe pluimveestallen ten zuiden van de Vledders.

De beroepsgrond over de intrekking van de vergunning voor de [locatie 2] heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit. De eventuele intrekking van die vergunning kan daarom in deze procedure niet ter beoordeling staan. Overigens kan een belanghebbende bij het bevoegd gezag een verzoek om intrekking van de vergunning indienen. Tegen het besluit op dat verzoek staat afzonderlijke rechtsbescherming open.

Deze beroepsgrond faalt.

Geur

2.8. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen onaanvaardbare geurhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting na de voorziene uitbreiding met maximaal 165.000 stuks pluimvee.

[appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen in dit verband dat de vergunning in strijd met artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) is verleend. Volgens [appellant sub 1] is het college er bij de verlening van de vergunning ten onrechte van uitgegaan dat zijn woning en de naastgelegen woningen zich buiten de bebouwde kom bevinden. [appellant sub 1] betoogt dat deze woningen moeten worden beschouwd als woningen binnen de bebouwde kom, omdat de omgeving van de woningen intensief is bebouwd. Volgens [appellant sub 1] wordt ter plaatse van deze woningen niet voldaan aan de in de Wgv opgenomen geurnorm voor woningen binnen de bebouwde kom, zodat de vergunning had moeten worden geweigerd.

2.8.1. Vast staat dat de pluimveehouderij en de woningen in de omgeving daarvan niet zijn gelegen in een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Voorts staat vast dat de raad geen gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wgv heeft vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgv wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 OUE/m3.

2.8.2. Bij het nemen van een beslissing op de aanvraag heeft het college beoordeeld of ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting kan worden voldaan aan de geurnorm van 8,0 OUE/m3. Dit is volgens het college in dit geval de toepasselijke norm, omdat alle geurgevoelige objecten in de omgeving, waaronder de woning van [appellant sub 1], buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Het college betoogt in dit verband dat de concentratie van lintbebouwing en bevolking aan het Weerdingerkanaal NZ en de Drentse Mondenweg te gering is om als aaneengesloten bebouwing en daarmee als bebouwde kom te worden aangemerkt. Het college wijst er verder onder meer op dat de afstand tot het dorp Nieuw-Weerdinge ongeveer 1 km bedraagt en dat er ter plaatse veel agrarische bestemmingen en gebruiksfuncties zijn en diverse overige bedrijfsactiviteiten die gerelateerd zijn aan activiteiten in het landelijk gebied.

Het college stelt dat uit de verspreidingsberekeningen van het voorkeursalternatief zoals opgenomen in het milieueffectrapport en de geactualiseerde geurberekening die als bijlage bij de vergunning is gevoegd blijkt dat ter plaatse van de woningen van derden kan worden voldaan aan de geurnorm van 8,0 OUE/m3. Volgens het college bestond daarom geen aanleiding de vergunning te weigeren.

2.8.3. Het begrip bebouwde kom kan volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

2.8.4. Het gebied waarin de uit te breiden pluimveehouderij zich bevindt, ligt in het buitengebied van de gemeente Emmen en kan worden gekarakteriseerd als een veenkoloniaal landbouwgebied. Ten zuidoosten van deze locatie is op ongeveer 250 meter aan de Drentse Mondenweg en het Weerdingerkanaal NZ een bebouwingslint gelegen dat voornamelijk bestaat uit enkele tientallen woningen, enkele agrarische en daaraan gerelateerde bedrijven en enkele auto- en garagebedrijven. De dichtstbijzijnde dorpskern is die van het dorp Nieuw-Weerdinge. Deze dorpskern is gelegen op een afstand van ongeveer 1 km van de kruising van de Drentse Mondenweg en het Weerdingerkanaal NZ.

Hoewel er rond de kruising van de Drentse Mondenweg en het Weerdingerkanaal NZ enige concentratie van gebouwen en bevolking bestaat, is de omvang daarvan naar het oordeel van de Afdeling te gering om te kunnen spreken van aaneengesloten bebouwing die het gebied een overwegende woon- en verblijffunctie geeft. Daarbij is mede van belang dat de bebouwing ter plaatse deel uitmaakt van een zeer langgerekt bebouwingslint dat zich uitstrekt van Weerdinge tot Ter Apel en er ter hoogte van de kruising van de Drentse Mondenweg en het Weerdingerkanaal NZ slechts een betrekkelijk geringe verdichting van de bebouwing bestaat ten opzichte van de rest van dit lint.

Het college is er daarom bij de beoordeling van de aanvraag terecht van uitgegaan dat de woning van [appellant sub 1] en de overige woningen aan de Drentse Mondenweg buiten de bebouwde kom zijn gelegen en dat de geurbelasting vanwege de inrichting op die woningen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wgv maximaal 8,0 OUE/m3 mag bedragen.

2.8.5. Bij het nemen van het bestreden besluit heeft het college zich gebaseerd op de geurverspreidingsberekening van het voorkeursalternatief zoals opgenomen in het milieueffectrapport en een geactualiseerde geurberekening van 4 november 2010 die deel uitmaakt van de aanvraag. Volgens deze berekeningen bedraagt de geurbelasting op de woning van [appellant sub 1] 3,3 OUE/m3. De voor die woning geldende geurnorm van 8,0 OUE/m3 wordt derhalve niet overschreden. Ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 2] wordt deze norm evenmin overschreden. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de geurberekeningen waarvan het college is uitgegaan onjuist zijn. Gelet hierop heeft het college terecht geen aanleiding gezien de vergunning wegens strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wgv te weigeren.

Deze beroepsgronden falen.

Luchtkwaliteit

2.9. [appellanten sub 2] vrezen luchtverontreiniging als gevolg van de toename van het verkeer van en naar de inrichting.

2.9.1. Bij de beoordeling van de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit heeft het college zich gebaseerd op berekeningen in het milieueffectrapport en een aanvullende, geactualiseerde berekening die deel uitmaakt van de aanvraag. Volgens deze berekeningen leiden de vergunde activiteiten niet tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van het luchtkwaliteitsonderzoek onjuist zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de vergunning wegens overschrijding van de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden had moeten weigeren.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluidhinder vanwege verkeer van en naar de inrichting

2.10. [appellanten sub 2] vrezen tevens geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting. In het bijzonder betogen zij dat het acht keer per jaar wisselen van de kuikens in de nachtperiode en in het weekeinde tot onaanvaardbare geluidhinder leidt.

2.10.1. Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting heeft het college de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) als uitgangspunt gehanteerd.

In de circulaire wordt voor het equivalente geluidniveau ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting een voorkeursgrenswaarde aanbevolen van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Uit de circulaire blijkt dat daarbij, in aansluiting op hetgeen in artikel 1 van de Wet geluidhinder is bepaald, de etmaalwaarde voor verkeersgeluid in de nachtperiode moet worden berekend als de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente geluidniveau over de periode 23.00-07.00 uur. In de circulaire wordt het bevoegd gezag aanbevolen geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toe te staan indien die overschrijding kan worden voorkomen door het treffen van bronmaatregelen of door geluidwerende maatregelen in de overdrachtsweg. Als dergelijke maatregelen redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, kan worden uitgeweken naar een hogere grenswaarde.

2.10.2. Volgens het akoestisch onderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd, bedraagt de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie 46 dB(A), zodat de streefwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die in de circulaire is vermeld niet wordt overschreden.

Bij het bestreden besluit is als incidentele bedrijfssituatie voor maximaal acht keer per jaar de afvoer van kuikens gedurende één aaneengesloten nacht- en dagperiode vergund. Volgens het akoestisch onderzoek bedraagt de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting in de incidentele bedrijfssituatie maximaal 47 dB(A). Nu het hierbij gaat om de nachtperiode, komt dit overeen met 57 dB(A) etmaalwaarde. Deze waarde is hoger dan de in de circulaire opgenomen voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat bronmaatregelen aan de vrachtwagens niet kunnen worden getroffen omdat het materieel van derden betreft, de activiteiten noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering en een andere rijroute niet mogelijk is. Voorts heeft het college belang gehecht aan het feit dat het een incidentele bedrijfssituatie betreft die niet meer dan acht keer per jaar voorkomt.

Onder deze omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevraagde activiteiten niet leiden tot onaanvaardbare geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

Energie

2.11. [appellanten sub 2] betogen dat het college bij de verlening van de vergunning heeft gehandeld in strijd met afspraken en convenanten over CO2-uitstoot en energie die de gemeente is aangegaan.

2.11.1. De Afdeling overweegt allereerst dat [appellanten sub 2] niet hebben geconcretiseerd met welke afspraken of convenanten de verlening van de vergunning op dit punt in strijd zou zijn. Voor het overige overweegt de Afdeling het volgende.

Uit het bestreden besluit blijkt dat het college bij het nemen van een beslissing op de aanvraag rekening heeft gehouden met het aspect zuinig energieverbruik. Het college heeft daarbij overwogen dat de inrichting niet behoort tot een brancheorganisatie of concern waarmee een Meerjarenafspraak energie-efficiency (MJA) is afgesloten. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat het college rekening heeft gehouden met de circulaire "Energie in de milieuvergunning" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Economische Zaken van oktober 1999. Op grond van deze circulaire heeft het college geconcludeerd dat het aspect energie in dit geval relevant is.

Het college heeft verder overwogen dat de in de aanvraag opgenomen maatregelen ter beperking van het energieverbruik, waaronder isolatie en optimale klimaatbeheersing van de stallen, kunnen worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken. Ingevolge vergunningvoorschrift 1.1 maakt de aanvraag deel uit van de vergunning. Daarnaast is in voorschrift 9.4 registratie van het jaarlijkse energieverbruik voorgeschreven.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat het college de aspecten energieverbruik en CO2-uitstoot onvoldoende bij de beslissing op de aanvraag heeft betrokken. Voorts is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de vergunning toereikende maatregelen ter beperking van het energieverbruik zijn voorgeschreven.

Deze beroepsgronden falen.

Overige bezwaren

2.12. [appellanten sub 2] vrezen stofhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Daarnaast vrezen zij gezondheidsrisico's vanwege onder meer de verspreiding van besmettelijke dierziekten zoals vogelgriep. Ook stellen zij zich op het standpunt dat het college zich ten onrechte niet gehouden heeft aan afspraken en convenanten met betrekking tot dierenwelzijn.

2.12.1. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond over afspraken en convenanten over dierenwelzijn aldus, dat deze ziet op de wijze waarop het pluimvee in de inrichting wordt gehuisvest. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 juni 2006 in zaak nr. 200509196/1, kan de wijze waarop de in de inrichting te houden dieren worden gehuisvest echter niet worden aangemerkt als behorende tot het belang van de bescherming van het milieu, nu daaronder niet de inrichting zelf valt. Dit belang wordt derhalve niet door de Wet milieubeheer beschermd. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.12.2. Voor het overige overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 2] onvoldoende hebben geconcretiseerd in welk opzicht de vergunningvoorschriften en de in de aanvraag - die deel uitmaakt van de vergunning - opgenomen maatregelen niet toereikend zouden zijn ter bescherming tegen stofhinder en gezondheidsrisico's bij omwonenden.

Deze beroepsgronden falen.

Conclusie

2.13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen, voor zover deze betrekking hebben op het besluit tot verlening van de milieuvergunning, ongegrond.

Bestemmingsplan

Strijd met provinciaal beleid

2.14. [appellant sub 1] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het provinciaal beleid dat is neergelegd in de Omgevingsvisie Drenthe. Hij stelt dat het plan een grotere uitbreiding van de intensieve pluimveehouderij toestaat dan de Omgevingsvisie mogelijk maakt, nu de twee bouwblokken voor de pluimveehouderij een oppervlakte hebben van ongeveer 2,5 ha. Volgens [appellant sub 1] laat de Omgevingsvisie een uitbreiding tot maximaal 2 ha toe en mag het bouwblok slechts bij winst voor het milieu dan wel dierenwelzijn en landschappelijke inpassing na uitbreiding groter zijn dan 1,5 ha. Hij stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan deze voorwaarde. In dat verband voert hij tevens aan dat het buiten gebruik stellen van de bestaande stal aan het [locatie 2] in ieder geval geen milieuwinst oplevert als bedoeld in de Omgevingsvisie, omdat het beëindigen van de intensieve veehouderij op die locatie door de bestreden besluiten niet is verzekerd.

2.14.1. Anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent, was de raad bij de vaststelling van het plan niet zonder meer gebonden aan het provinciaal beleid dat is neergelegd in Omgevingsvisie. Wel diende de raad bij de vaststelling van het plan rekening te houden met dit beleid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het provinciaal beleid in de besluitvorming betrokken. Dit volgt reeds uit het feit dat tussen het gemeentebestuur en het provinciaal bestuur overleg heeft plaatsgevonden over het plan en het college van gedeputeerde staten bij brief van 21 september 2010 heeft gesteld dat het provinciaal belang in het ontwerpplan op voldoende wijze is opgenomen. Daarnaast is de raad in de plantoelichting ingegaan op het provinciaal beleid.

Dit betoog faalt.

2.14.2. Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat het plan op dit punt ook in strijd is met artikel 3.23 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, overweegt de Afdeling dat die bepaling pas op 14 april 2011 en derhalve na de vaststelling van het plan in werking is getreden. De eventuele strijdigheid van het plan met artikel 3.23 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe kan daarom, wat daarvan ook zij, geen aanleiding vormen voor de vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan.

Mogelijkheid tot splitsing in twee intensieve veehouderijen

2.15. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat het plan er niet aan in de weg staat dat de bouwvlakken ten noorden en ten zuiden van de Vledders elk tot een apart intensief veehouderijbedrijf met groeimogelijkheden worden gemaakt. Zij achten het onwenselijk dat op die manier twee intensieve veehouderijen kunnen ontstaan. Het plan had daarom volgens hen een regeling moeten bevatten om dit te voorkomen.

2.15.1. De raad stelt dat één agrarische bestemming met twee bouwvlakken in het plan is opgenomen en dat de bouwvlakken niet los van elkaar kunnen worden gezien. Volgens de raad staat het plan geen verdere uitbreiding van de bouwvlakken of de bestemming toe.

2.15.2. Het plangebied is beperkt tot de percelen waarop [kuikenmesterij] na de uitbreiding een pluimveehouderij wil exploiteren. Voor de gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve Veehouderij" zijn op de verbeelding twee bouwvlakken opgenomen, ten noorden en ten zuiden van de Vledders. Anders dan [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen, staat de planregeling voor de gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve Veehouderij" naar het oordeel van de Afdeling niet toe dat ten noorden en ten zuiden van de weg twee afzonderlijke intensieve veehouderijbedrijven worden gevestigd. Uit artikel 3 van de planregels, onder meer lid 3.4, leidt de Afdeling af dat de raad bij de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Intensieve Veehouderij" in het plan één bestemming met een noordelijk en een zuidelijk deel heeft opgenomen ten behoeve van één agrarisch bedrijf. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Afdeling op deze percelen slechts één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend, zodat splitsing in twee afzonderlijke intensieve veehouderijen niet is toegestaan.

Ten aanzien van de groeimogelijkheden overweegt de Afdeling dat het plan geen vergroting van de bouwvlakken mogelijk maakt.

Dit betoog faalt.

Landschappelijke inpassing

2.16. [appellant sub 1] voert aan dat in het plan ten onrechte geen groenbestemming is opgenomen voor een strook grond rondom de stallen. Een dergelijke bestemming is volgens hem noodzakelijk om de aanleg van een afschermende groensingel van 2,5 meter breed rond de nieuwe stallen afdwingbaar te maken. [appellant sub 1] acht dit noodzakelijk voor een goede landschappelijke inpassing van de stallen.

2.16.1. Op de verbeelding van het plan is langs de west- en oostrand van het perceel waarop de pluimveehouderij mag worden gevestigd een strook met de bestemming "Groen" weergegeven. Deze strook heeft een breedte van ten minste 2,5 meter. In zoverre komt de regeling in het plan reeds overeen met hetgeen [appellant sub 1] wenst.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Groen" onder meer bestemd voor groen- en watervoorzieningen en landschappelijke inpassing. Daarnaast volgt uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels dat de gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" mede zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Daarbij geldt ingevolge lid 3.4, onder b, bovendien dat in het bestemmingsvlak ten zuiden van de weg de gronden, voor zover gelegen aan de noordzijde van dit bestemmingsvlak en parallel lopend aan de weg, dienen te worden gebruikt voor laanbeplanting. Uit het voorgaande volgt dat het plan landschappelijke inpassing door middel van de aanleg van een afschermende groensingel rond de stallen mogelijk maakt en daartoe verplicht, voor zover het de afscherming door laanbeplanting betreft aan de noordzijde van de nieuwe stallen ten zuiden van de Vledders. De landschappelijke inpassing is nader omschreven in een landschapsplan dat bij de voorbereiding van het plan is opgesteld. Hierin zijn onder meer de afschermende groensingels opgenomen die de raad blijkens de plantoelichting wenselijk acht.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing die het plan toelaat voldoende is verzekerd.

Aantasting woon- en leefklimaat

2.17. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de uitbreiding van de pluimveehouderij die door het plan mogelijk wordt gemaakt.

2.17.1. Voor zover zij aanvoeren dat de uitbreiding van de pluimveehouderij leidt tot een onaanvaardbare geurbelasting op hun woningen, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, liggen de woningen in de omgeving van de inrichting buiten de bebouwde kom in de zin van de Wgv en kan ter plaatse van deze woningen worden voldaan aan de geurnorm van 8,0 OUE/m3 die in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wgv is neergelegd. Voor de woning van [appellant sub 1] is een geurbelasting van 3,3 OUE/m3 berekend.

Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200900801/1/R3 volgt echter dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm op grond van de Wgv niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De raad dient in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te maken in hoeverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat zich in dit geval omstandigheden voordoen op grond waarvan de raad had moeten concluderen dat met het toelaten van de uitbreiding van de pluimveehouderij in verband met geurhinder geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd bij de woningen in de omgeving. In dat verband is van belang dat uit de stukken blijkt dat binnen 2 km rond het bedrijf slechts enkele andere veehouderijen zijn gevestigd en dat de raad in zijn reactie op de zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan, onder verwijzing naar de door Tauw opgestelde notitie "Aanvulling MER pluimveehouderij te Nieuw Weerdinge" van 12 november 2010, heeft overwogen dat de cumulatieve geurbelasting afkomstig van het bedrijf van [kuikenmesterij] en de andere intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 km op de meest nabijgelegen geurgevoelige objecten ongeveer 7 OUE/m3 bedraagt en aanzienlijk minder op verder weg gelegen woningen, waaronder de woning van [appellant sub 1].

[appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet van de juistheid van de uitkomsten van het onderzoek naar cumulatie van geurhinder kan worden uitgegaan.

2.17.2. Voor zover [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat door luchtverontreiniging, stofhinder en geluidhinder vanwege verkeer van en naar de inrichting, overweegt de Afdeling het volgende. Bij de beoordeling van de milieuvergunning is de Afdeling reeds ingegaan op deze aspecten. Daarbij is onder meer geconcludeerd dat de uitbreiding van de inrichting niet leidt tot een overschrijding van de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden en dat de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie lager is dan de voorkeurswaarde die in de circulaire wordt aanbevolen. Gelet hierop en gelet op hetgeen hierover onder 2.10.2 en 2.12.2 overigens is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] bedoelde milieugevolgen niet zodanig zijn, dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen in ernstige mate wordt aangetast als gevolg van de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van de pluimveehouderij.

2.17.3. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich bij de vaststelling van het plan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Verkeersveiligheid

2.18. [appellanten sub 2] betogen dat de uitbreiding van de pluimveehouderij zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving.

Volgens hen is de kruising tussen de Vledders en de Drentse Mondenweg te krap voor vrachtverkeer en landbouwverkeer. Nu dit verkeer als gevolg van de bedrijfsuitbreiding verder zal toenemen, zal volgens [appellanten sub 2] ook het aantal onveilige situaties toenemen. Zij stellen tevens dat de raad er bij de vaststelling van het plan ten onrechte van is uitgegaan dat de Vledders 4 meter breed is; volgens hen is de breedte van de weg slechts 3,15 meter.

2.18.1. In de plantoelichting en in de reactie op de zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan is de raad ingegaan op het aspect verkeer en vervoer.

In paragraaf 3.6 van de plantoelichting is vermeld dat de pluimveehouderij wordt ontsloten via de Vledders en de Drentse Mondenweg. De uitbreiding van twee naar vijf stallen betekent een vermeerdering van het vrachtverkeer. De raad acht het treffen van extra maatregelen om de verkeersafwikkeling op de Vledders mogelijk te maken niet nodig. Volgens de raad is de weg breed genoeg voor de afwikkeling van (landbouw)verkeer. De toename van het verkeer is volgens de raad niet zodanig dat een verbreding van de Vledders noodzakelijk is. De raad gaat uit van een beperkte verkeerstoename van vrachtverkeer van en naar de pluimveehouderij ten opzichte van het reguliere verkeer op de weg. Volgens de plantoelichting wordt als gevolg van de uitbreiding een toename van 20 vrachtwagenbewegingen per dag en 10 bewegingen met personenvervoer verwacht ten opzichte van de referentiesituatie aan de Vledders.

In de reactie op de zienswijzen heeft de raad daarnaast nog overwogen dat de veiligheid voor fietsers geen gevaar loopt, onder meer omdat langs de Drentse Mondenweg ter hoogte van de Vledders een vrijliggend fietspad aanwezig is en op het deel van de weg dat ter hoogte van de (woon)bebouwing ligt fietssuggestiestroken zijn aangebracht.

De raad concludeert dat de verkeersveiligheid op de Vledders en de Drentse Mondenweg niet in gevaar wordt gebracht.

2.18.2. Op grond van hetgeen [appellanten sub 2] naar voren hebben gebracht, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de Vledders in de huidige situatie te smal is voor een veilige afhandeling van vrachtverkeer. Gelet hierop, op de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen - die ten opzichte van het bestaande verkeersbeeld betrekkelijk gering is - en op de voorzieningen voor fietsers die langs de Drentse Mondenweg aanwezig zijn, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de extra vrachtwagenbewegingen als gevolg van de uitbreiding bij de huidige breedte en inrichting van de Vledders en de Drentse Mondenweg niet zullen leiden tot een situatie die vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is. Daarbij is tevens van belang dat eventuele overtredingen van de ter plaatse geldende verkeersregels en de handhaving daarvan in deze procedure niet ter beoordeling kunnen staan.

Dit betoog faalt.

Conclusie

2.19. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn, voor zover deze betrekking hebben op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, ongegrond.

Bouwvergunningen

2.20. [appellant sub 1] stelt dat de bouwvergunningen op grond van het voor de inwerkingtreding van de Wabo geldende recht pas konden worden verleend nadat een milieuvergunning was verleend. Nu de milieuvergunning volgens [appellant sub 1] niet in stand kan blijven, dienen de bouwvergunningen daarom volgens hem eveneens te worden vernietigd.

2.20.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de milieuvergunning naar het oordeel van de Afdeling in stand kan blijven. Reeds hierom faalt het betoog van [appellant sub 1].

2.21. Daarnaast betoogt [appellant sub 1] dat de bouwvergunningen moeten worden vernietigd, omdat de aanvragen zijn getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan en dit plan volgens hem niet in stand kan blijven.

2.21.1. Ingevolge artikel 3.30, vierde lid, zoals dit voor de inwerkingtreding van de Wabo luidde, mag voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een aanlegvergunning of bouwvergunning is begrepen, deze slechts en moet deze worden geweigerd, in afwijking van artikel 3.16, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet, indien het aanleggen of het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Hieruit volgt dat een bestemmingsplan waarvan de voorbereiding en bekendmaking is gecoördineerd met die van een bouwvergunning het toetsingskader vormt voor de verlening van die bouwvergunning, ondanks het feit dat dit plan op het moment van het verlenen van de bouwvergunning nog niet in werking is getreden.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestemmingsplan naar het oordeel van de Afdeling in stand kan blijven. Er bestaat dan ook geen aanleiding de bouwvergunningen te vernietigen op de grond dat de aanvragen zijn getoetst aan dit plan.

2.22. Nu voor het overige geen beroepsgronden met betrekking tot de bouwvergunningen zijn aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de bouwvergunningen niet hadden kunnen worden verleend. De beroepen zijn, voor zover deze betrekking hebben op de besluiten tot verlening van de bouwvergunningen, ongegrond.

Uitwegvergunning

2.23. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben geen specifieke beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de vergunning voor de aanleg van een uitweg ten behoeve van het perceel [locatie 1]. Wel hebben zij aangevoerd dat vanwege de onderlinge samenhang bij vernietiging van het bestemmingsplan en de milieuvergunning ook de uitwegvergunning dient te worden vernietigd. Nu het bestemmingsplan en de milieuvergunning naar het oordeel van de Afdeling in stand kunnen blijven, bestaat geen aanleiding voor vernietiging van het besluit tot verlening van de uitwegvergunning. De beroepen zijn, voor zover deze betrekking hebben op het besluit tot verlening van de uitwegvergunning, ongegrond.

Conclusie

2.24. De beroepen zijn ongegrond.

2.25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

483.