Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201107548/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om haar in te schrijven in het register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) als tolk Nederlands-Thai afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107548/1/A3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 juni 2011 in zaak nr. 10/894 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om haar in te schrijven in het register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) als tolk Nederlands-Thai afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2012, waar [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Schuurman, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv), voor zover hier van belang, is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge artikel 3 dient de tolk dan wel de vertaler, om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

- attitude van een tolk voor de tolk;

- attitude van een vertaler voor de vertaler;

- integriteit;

- taalvaardigheid in de brontaal;

- taalvaardigheid in de doeltaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;

- tolkvaardigheid voor de tolk;

- vertaalvaardigheid voor de vertaler.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers (hierna: Bbtv), voor zover hier van belang, wordt een tolk in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:

a. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

1º een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;

2º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of

3º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;

b. hij kan anderszins aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.

2.2. De minister heeft in het besluit op bezwaar van 28 oktober 2009 overwogen dat [appellante] niet in aanmerking komt voor inschrijving in het register op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbtv, omdat zij geen diploma of getuigschrift heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij een opleiding tolk heeft gevolgd. Zij komt volgens de minister evenmin in aanmerking voor inschrijving in het register op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv. Daartoe heeft hij overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde stukken niet blijkt dat zij scholing heeft gevolgd om tolkvaardigheden en -attitude te ontwikkelen, zodat haar verzoek niet voldoet aan de vereisten om te worden voorgelegd aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit inschrijving Rbtv (hierna: Besluit inschrijving). Dat zij reeds een groot aantal jaren als tolk werkzaam is en veel ervaring heeft, is volgens de minister onvoldoende om inschrijving in het register gerechtvaardigd te achten.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister tijdens de procedure in beroep heeft erkend dat de beoordeling van de aanvraag van [appellante] niet op grond van de in het Besluit inschrijving neergelegde beleidsregels had mogen plaatsvinden. De minister heeft evenwel nagelaten deze motivering in het bij haar bestreden besluit op te nemen. De rechtbank heeft gelet hierop het bij haar bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] niet voor inschrijving in het register in aanmerking komt. Daartoe heeft zij overwogen dat de minister het standpunt mocht innemen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie een bijzondere betreft, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv, aldus de rechtbank.

2.4. Het hoger beroep van [appellante] is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

2.5. [appellante] betoogt dat de Wbtv en het Bbtv meer beoordelingsruimte bieden dan het door de minister toegepaste Besluit inschrijving. Hoewel de rechtbank heeft overwogen dat zij het Besluit inschrijving niet bij haar oordeel heeft betrokken, toetst zij volgens [appellante] feitelijk wel aan het Besluit inschrijving. Zij voert onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage in zaak nr. 10/4234 (LJN: BQ5625; www.rechtspraak.nl) aan dat dit beleid een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.

2.5.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv (Stb. 2008, 555, p. 9) beoordeeld of de minister [appellante] op basis van bijzondere ervaring, zoals woon- of onderwijservaring in het land van bron- of doeltaal, docentschap en dergelijke in aanmerking had moeten laten komen voor inschrijving in het register. Zij heeft bij dat oordeel mede betrokken het advies van het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Kwaliteitsinstituut) over de nadere invulling van artikel 8, eerste lid, onder b, van het Bbtv. Zij heeft vervolgens geoordeeld dat dit advies niet strijdt met de in de Nota van Toelichting genoemde mogelijkheid dat bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat inschrijving in het register gerechtvaardigd is. Geen grond bestaat voor het oordeel, zoals [appellante] betoogt, dat de rechtbank dat advies, dat ziet op de invulling van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv en daarmee niet in strijd is, niet bij haar oordeel mocht betrekken. Dat het advies van het Kwaliteitsinstituut mede in aanmerking is genomen bij de totstandkoming van het Besluit inschrijving, maakt niet dat de rechtbank, door dat advies bij haar oordeel te betrekken, feitelijk aan het Besluit inschrijving heeft getoetst. Gelet hierop baat het door [appellante] gedane beroep op de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage haar niet.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar situatie geen bijzondere is, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv. Zij heeft bij haar aanvraag diverse documenten overgelegd ter staving van haar competenties en waaruit haar bijzondere woon-, opleidings- en werkervaring kan worden afgeleid. In de procedure in beroep heeft zij ook verschillende documenten overgelegd, waaronder diploma's. De rechtbank en de minister hebben ten onrechte getwijfeld aan de authenticiteit van het diploma "Bachelor of Arts" van de Chulaongekorn Universiteit. Zij heeft een kopie van het document met "University Seal" meegenomen naar de zitting bij de rechtbank, maar zij heeft het origineel niet mogen tonen. Verder betoogt zij dat de diploma's en de vertalingen ervan in Thailand zijn gelegaliseerd door zowel de betreffende Thaise instellingen als de Nederlandse ambassade te Bangkok en dat deze diploma's door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (hierna: de Nuffic) zijn gewaardeerd. De rechtbank is ten onrechte aan deze documenten voorbij gegaan, aldus [appellante].

2.6.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] niet voor inschrijving in het register in aanmerking komt, omdat zij niet anderszins heeft aangetoond te voldoen aan de wettelijke competenties, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv.

De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat de minister het standpunt mocht innemen dat uit de door [appellante] overgelegde diploma's en getuigschriften niet volgt dat zij scholing heeft gevolgd om tolkvaardigheden en -attitude te ontwikkelen en dat zij aldus aan de in artikel 3 van de Wbtv bedoelde eisen voor de in die bepaling opgenomen competenties voldoet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister daarbij van belang mocht achten dat uit de in Nederland door [appellante] behaalde universitaire diploma's op het gebied van Gezondheidswetenschappen en Nederlands recht niet kan worden afgeleid dat zij beschikt over de vereiste tolk- en vertaalvaardigheden. Dat kan evenmin worden afgeleid uit de door [appellante] overgelegde Thaise diploma's en getuigschriften waarvan zij de originelen ter zitting van de Afdeling heeft getoond, reeds omdat daartoe, zoals de rechtbank heeft overwogen, een waardering van de Nuffic ontbreekt. [appellante] heeft deze waardering, ondanks haar stelling dat deze door de Nuffic heeft plaatsgevonden, niet overgelegd.

De eenmalige deelname in 2005 aan een symposium voor gerechtstolken en -vertalers en het incidenteel opstellen dan wel beoordelen van een vertaaltoets voor de Lessius Hogeschool te Antwerpen leiden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich in dit verband onweersproken op het standpunt gesteld dat taaloverstijgende cursussen worden aangeboden door bijvoorbeeld de Stichting Instituut van gerechtstolken en -vertalers teneinde tolkvaardigheden en tolkattitude te verwerven. [appellante] heeft deze cursussen niet gevolgd, aldus de minister. Dat zij ruime werkervaring heeft op het gebied van tolken en dat haar werk nimmer aanleiding heeft gegeven tot klachten, leiden evenmin tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag van [appellante] tot inschrijving in het register terecht heeft afgewezen. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om aan te tonen dat aan de wettelijke eisen is voldaan, omdat afnemers niet voldoende in staat zijn een oordeel te geven over het niveau waarop de tolk functioneert.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

581.