Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201201489/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wolweg V" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201489/1/R2.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Stroe, gemeente Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wolweg V" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.P. Bouw, en de raad, vertegenwoordigd door M. Oorthuysen-Foppen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is ter zitting als partij gehoord Vidazz, vertegenwoordigd door P.G. van Dijk en T. van de Lagemaat.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een twee-onder-één-kap woning op het perceel Wolweg 59 in Stroe.

Procedureel

2.2. [appellante] stelt dat is verzuimd haar de resultaten van de onderzoeken naar de hindercirkel van bedrijf Twilmij toe te zenden. Ook stelt zij dat de resultaten van deze onderzoeken te laat en op onjuiste wijze aan de raad ter beschikking zijn gesteld, waardoor het besluit is genomen op basis van onvolledige informatie.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2.2. De door [appellante] genoemde onderzoeksrapporten zijn opgesteld in het kader van een andere bestemmingsplanprocedure. Het betreft het door Cauberg-Huygen opgestelde rapport "Herontwikkeling Steco terrein te Stroe, Beperking milieuruimte Twilmij", van 10 juni 2011, en het in vervolg daarop opgestelde rapport "Stof- en Geurbelasting Twilmij te Stroe", van Buro Blauw, van 2 december 2011. De rapporten dienen ter ondersteuning van de in het bestreden besluit getrokken conclusie dat niet aannemelijk is dat vanwege het nabijgelegen bedrijf Twilmij hinder zal ontstaan ter plaatse van de voorziene woning.

Ten aanzien van het rapport van Cauberg-Huygen is van belang dat de onderzoeksresultaten daarvan in het onderzoek van Buro Blauw zijn betrokken. Ter zitting is gebleken dat het onderzoeksrapport van Buro Blauw met de raadsstukken ter inzage heeft gelegen en bovendien aan [appellante] ter beschikking is gesteld. Ook zijn de resultaten van dit onderzoeksrapport per memo aan de raad voorgelegd.

Gelet op het vorenstaande, is van onregelmatigheden in de informatievoorziening aan [appellante] niet gebleken. Verder volgt uit het vorenstaande niet dat de raad het besluit heeft genomen op basis van onvolledige informatie.

De beroepsgrond faalt.

Hindercirkel

2.3. [appellante] betoogt dat de voorziene twee-onder-één-kap woning zich binnen de hindercirkel van het nabijgelegen bedrijf Twilmij bevindt en verwijst daarbij naar het onderzoeksrapport van Cauberg-Huygen.

Verder voert zij aan dat in de onmiddellijke nabijheid van de voorziene woning een industrieterrein is voorzien.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het vervolgonderzoek van Buro Blauw is af te leiden dat de stof- en geurbelasting van het bedrijf Twilmij geen belemmering oplevert voor de in het plan voorziene woning. Uit het onderzoek blijkt dat de geurconcentratie buiten de inrichtingsgrens van Twilmij lager is dan het acceptabel hinderniveau zoals dat volgt uit de Nederlandse emissie Richtlijn (hierna: NeR) en zoals opgenomen in de bijzondere regeling A3 diervoederindustrie.

Met betrekking tot het geplande industrieterrein stelt de raad dat de planlocatie op de Structuurvisie Barneveld 2009 is aangeduid als "bestaand bebouwd gebied", met de aanduiding 'zoekzone werken nader te bepalen' en dat dit uitgangspunt nog niet is uitgewerkt in een concreet ruimtelijk plan.

2.3.2. Het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gebouwd bevindt zich op een afstand van ongeveer 130 meter van het bedrijf Twilmij.

In de NeR is sinds 2007 voor nieuwe situaties een norm van 0,7 odourunits/m3 als 98-percentiel en voor bestaande situaties een norm van 1,4 odourunits/m3 als 98-percentiel opgenomen. Volgens paragraaf 2.5.4 van de NeR is sprake van een nieuwe situatie als voor de eerste keer een milieuvergunning wordt gevraagd voor een bepaalde activiteit. Bij een bestaande situatie is een activiteit reeds eerder vergund geweest. De NeR ziet op de bescherming van het milieu bij vergunningverlening en beoogt uitsluitend de gevolgen van de inrichting voor haar omgeving te reguleren. Nu voor Twilmij in het verleden een milieuvergunning is verleend, is daarop de norm voor bestaande situaties van toepassing. Het plan voorziet in de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Daarmee is planologisch gezien sprake van een nieuwe situatie in het kader waarvan de raad dient te bezien of het plan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Bij de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat bij een gevoelige bestemming, kan de raad de in de NeR opgenomen normen als uitgangspunt nemen.

Uit het rapport van Cauberg-Huygen volgt dat nader geuronderzoek noodzakelijk is. Uit het vervolgonderzoek van Buro Blauw, waarin wordt uitgegaan van de feitelijke situatie, blijkt dat op basis van een verspreidingsberekening, met 'worst-case' aannames, de geurconcentratie buiten de inrichtingsgrens lager is dan 0,7 odournits/m3 als 98-percentiel en bij een afstand van ongeveer 130 meter 0,1 odourunits/m3 als 98-percentiel bedraagt. Ter plaatse van de voorziene twee-onder-één kap woning wordt daarmee voldaan aan de in de NeR neergelegde meest strikte norm voor een acceptabel hinderniveau van 0,7 odourunits/m3 als 98-percentiel. Uit het rapport volgt voorts dat uit de aan Twilmij verleende milieuvergunning blijkt dat de geuremissie 2 ge/m3 als 98-percentiel niet mag worden overschreden. Dit komt overeen met een geuremissie van 1 odourunits/m3 als 98-percentiel en is lager dan de norm van 1,4 odourunits/m3 als 98-percentiel doch hoger dan de norm van 0,7 odourunits/m3 als 98-percentiel neergelegd in de NeR. Nu in de feitelijke situatie bij een geurconcentratie van minder dan 0,7 odourunits/m3 als 98-percentiel buiten de inrichtinggrens de geurconcentratie op een afstand van ongeveer 130 meter 0,1 odourunits/m3 als 98-percentiel bedraagt, acht de Afdeling het echter niet aannemelijk dat zich bij een emissie van 1 odourunits/m3 als 98-percentiel ter plaatse van de voorziene woning een geurconcentratie van meer dan 0,7 odourunits/m3 als 98-percentiel zal voordoen.

Verder volgt uit het rapport van Buro Blauw dat de kans op stofhinder tot een minimum is beperkt doordat alle relevante BBT-maatregelen zijn voorgeschreven.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat stof- en geurhinder betreft geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene twee-onder-één-kap woning. Het betoog faalt.

2.3.3. Met betrekking tot het voorziene industrieterrein is niet gebleken dat concrete plannen bestaan om in de nabije omgeving van de twee-onder-één-kap woning een industrieterrein dan wel bedrijventerrein te realiseren. Het feit dat de planlocatie op de kaart behorend bij de Structuurvisie Barneveld 2009 is aangeduid als "bestaand bebouwd gebied", met de aanduiding 'zoekzone werken nader te bepalen' doet aan het voorgaande niet af. Het betoog faalt.

Geluidsoverlast, verlies van uitzicht en schaduwwerking

2.4. [appellante] voert aan dat uit het planschadeonderzoek blijkt dat het plan leidt tot verlies van uitzicht, geluidsoverlast en schaduwwerking.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het planschadeonderzoek een standaardbeoordeling betreft en dat voor het plan een positief stedenbouwkundig advies is uitgebracht.

2.4.2. Het plan maakt de twee-onder-één-kap woning mogelijk naast het perceel waarop de woning van [appellante] staat. Blijkens de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte voor de voorziene woningen 9 meter. Het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gebouwd ligt op ongeveer 15 meter afstand van haar woning.

2.4.3. De Afdeling stelt voorop dat voor zover uit het planschadeonderzoek blijkt dat de uitvoering van het plan van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat bij de woning van [appellante], hieruit niet volgt dat het plan zal leiden tot onevenredige gevolgen voor [appellante].

Gelet op het feit dat de minimale afstand van de woning tot het in het plan voorziene bouwvlak ongeveer 15 meter bedraagt, heeft de raad een eventueel verlies aan uitzicht niet onevenredig nadelig behoeven te achten.

Verder heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Daarbij is van belang dat het plangebied is gelegen in een omgeving waar hoofdzakelijk de functie wonen aanwezig is en dat ter plaatse twee woningen worden gerealiseerd. Ten aanzien van schaduwwerking is ter zitting gebleken dat op het tussengelegen perceel bomen staan. Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen voormelde afstand van 15 meter, is niet aannemelijk dat het plan zal leiden tot onevenredige schaduwwerking. Het betoog faalt.

Eikenbomen

2.5. [appellante] betoogt dat het plan waarschijnlijk zal leiden tot het kappen van monumentale eikenbomen die op en rondom het perceel aanwezig zijn.

2.5.1. De raad stelt dat advies is uitgebracht over de aanwezige groenelementen op het perceel en dat deze zoveel mogelijk zullen worden ingepast in het nieuwe plan.

2.5.2. In opdracht van de raad is door J. Kardol, werkzaam bij de Afdeling Beheer Openbare Ruimte van de gemeente Barneveld, onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de eventueel aanwezige waardevolle elementen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een memo van 13 september 2010. Daaruit volgt dat met name op en nabij de randen van het perceel een zeer waarvolle eikenbomengroep en een zeer waardevolle eikensingel staan. Verder blijkt uit het memo dat deze waardevolle elementen duurzaam dienen te worden gehandhaafd en beschermd tijdens het uitvoeren van de plannen. Bovendien heeft de raad ter zitting gesteld dat geen kapvergunningplichtige bomen, waaronder de monumentale eikenbomen, zullen worden gekapt. Gelet hierop, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het streven de bomen te behouden onhaalbaar is. Het betoog faalt.

Zienswijze

2.6. Voor zover [appellante] in het beroepschrift verder heeft verwezen naar de inhoud van haar zienswijze en hetgeen zij naar voren heeft gebracht tijdens de commissievergadering, overweegt de Afdeling dat hierop in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan. [appellante] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen en hetgeen zij naar voren heeft gebracht tijdens de commissievergadering in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskostenveroordeling

2.7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante] is ongegrond.

2.7.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

343-704.