Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201110398/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelblok" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110398/1/R4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], wonend te Gouderak, gemeente Ouderkerk,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Stolwijk, gemeente Vlist,

en

de raad van de gemeente Ouderkerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelblok" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2012, waar [appellant sub 1A] en [appellanten sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door J.F. Lansbergen en F.A. Jiskoot, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten 1] het beroep, voor zover ingesteld door [appellante sub 1B], ingetrokken.

Tevens heeft [appellant sub 1A] het beroep ingetrokken, voor zover dat betrekking heeft op de planregels die gelden voor de bestemming "Sport" die aan het perceel Eikenhof 1 te Gouderak is toegekend.

2.2. Het plan voorziet in een actualisatie van de planologische regeling voor de bestaande functies voor het gebied grenzend aan de weg Middelblok te Gouderak en is overwegend conserverend van aard.

2.3. [appellant sub 1A] betoogt dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren op het plan.

2.3.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Geen aanleiding bestaat in zoverre voor het oordeel dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1A] in de gelegenheid is geweest zienswijzen naar voren te brengen, naar aanleiding waarvan de recreatiewoning van [appellant sub 1A] als zodanig is bestemd met een maximale toegestane oppervlakte van 25 m². Overigens heeft [appellant sub 1A] de mogelijkheid gekregen om zich mondeling uit te spreken over deze wijziging tijdens een overleg met de betrokken ambtenaren. Dat dit overleg niet voor hem tot het gewenste resultaat heeft geleid, maakt dit niet anders.

2.4. [appellant sub 1A] kan zich niet verenigen met artikel 9, lid 9.2, onder b, sub 2 van de planregels op grond waarvan de oppervlakte van de recreatiewoning op het perceel aan de [locatie 1] te Gouderak ten hoogste 25 m² mag bedragen. [appellant sub 1A] voert aan dat op de plankaart van het vorige bestemmingsplan de recreatiewoning was ingetekend, zonder dat een maximale toegestane oppervlakte was opgenomen. Hij stelt dat door in het voorliggende plan een maximale oppervlakte van 25 m² op te nemen, het voorliggende plan ten onrechte een beperking van de planologische mogelijkheden met zich brengt.

Daarnaast is [appellant sub 1A] van mening dat een maximale oppervlakte van 25 m² niet voldoet aan de eisen van de hedendaagse tijd. Gelet daarop en om meer comfort te bieden dient de maximale toegestane oppervlakte tenminste te worden vergroot naar 30 tot 35 m².

Ten slotte stelt [appellant sub 1A] dat op basis van persoonlijke ervaringen van een gemeenteambtenaar zijn recreatiewoning ten onrechte is vergeleken met een trekkershut. Naar zijn mening brengt dat met zich dat het plan in zoverre met vooringenomenheid is vastgesteld.

2.4.1. De raad heeft rekening willen houden met de bestaande situatie wat betreft het perceel van [appellant sub 1A], omdat de recreatiewoning reeds jaren aanwezig is. Gelet daarop is de recreatiewoning als zodanig bestemd. Voor de maximale toegestane oppervlakte heeft de raad voor alle in het plangebied aanwezige recreatiewoningen dezelfde maatvoering aangehouden van 25 m². De reden daarvoor is daarin gelegen dat de raad geen grootschalige verblijfsrecreatie wil toestaan in het plangebied, nu hij niet streeft naar uitbreiding van de recreatieve functies en hij een dergelijk zomerhuisje slechts als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wenst toe te staan. In zoverre heeft de raad aangesloten bij de Regeling Vernieuwd Ondernemen gemeente Ouderkerk.

2.4.2. Aan het perceel aan de [locatie 1] te Gouderak was op grond van het vorige bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "zonder bebouwing" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 1, van de planregels van het vorige plan waren de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" bestemd voor agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 9, lid 3, mochten op de in het eerste lid bedoelde gronden, die op de kaart van de nadere aanwijzing (z) waren voorzien, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 17 van de planregels is het toegestaan om gronden en bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan in gebruik waren voor doeleinden waarvoor zij niet mochten worden gebruikt, voor die doeleinden te gebruiken.

2.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat destijds voor de realisatie van de recreatiewoning geen bouwvergunning is verleend en dat deze evenmin in een eerder bestemmingsplan als zodanig was bestemd. Reeds daarom faalt het betoog van [appellant sub 1A] dat de maximering van de oppervlakte leidt tot een beperking van bestaande rechten.

De omstandigheid dat het fysiek mogelijk is om de recreatiewoning van [appellant sub 1A] te vergroten en volgens hem een grotere oppervlakte nodig is teneinde te kunnen voldoen aan de hedendaagse eisen en om ten behoeve van het gebruik meer comfort te kunnen bieden, leidt niet tot het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het streven om ter plaatse geen grootschalige recreatie toe te staan. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van [appellant sub 1A] niet overeenkomt met dezelfde soort woningen binnen het plangebied. Evenmin heeft [appellant sub 1A] aannemelijk gemaakt dat de raad in strijd met het bepaalde in artikel 2:4 Awb met vooringenomenheid heeft beslist.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.6. [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die aan het perceel [locatie 2] te Gouderak is toegekend. Zij betogen dat ten onrechte geen recreatieve bestemming aan het perceel is toegekend. Zij voeren daartoe aan dat het perceel [locatie 2] is gelegen aan een dijklint en het een voormalig agrarische locatie betreft die is opgekocht door de provincie in het kader van de aanleg van de N207. [appellanten sub 2] hadden plannen om het perceel van de provincie over te nemen en aldaar een manege met dagrecreatie op te richten. Alvorens daartoe over te gaan, hebben zij in dat verband een principeverzoek bij het college ingediend, waarop het college bij brief van 31 januari 2007 positief heeft beslist. Ook heeft uitgebreid overleg met gemeenteambtenaren en het gemeentebestuur plaatsgevonden op basis waarvan volgens hen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de vestiging van een manege en dagrecreatie aan het perceel [locatie 2] mogelijk zou worden gemaakt. Op basis daarvan hebben zij het perceel overgenomen van de provincie in ruil voor grond.

Het niet toekennen van een recreatieve bestemming aan het desbetreffende perceel is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan het perceel Veerstalblok 47 wel een dergelijke bestemming is toegekend, aldus [appellanten sub 2].

2.6.1. Uit de brief van 31 januari 2007 blijkt dat de raad in beginsel positief staat tegenover de plannen van [appellanten sub 2] om een manege op het perceel aan het [locatie 2] op te richten, maar dat de raad niet eerder meewerkt dan dat een nader onderzoek naar de ontsluiting en de mogelijkheid om paarden te beweiden in het aangrenzende natuurgebied is verricht. Bij brief van 5 mei 2011 is aan [appellanten sub 2] verzocht om een bedrijfsplan en een ruimtelijke onderbouwing van de gewenste activiteiten. Zij hebben aan dit verzoek niet voldaan.

2.6.2. [appellanten sub 2] hebben ter zitting niet betwist dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet beschikte over voldoende gegevens om de haalbaarheid van het plan te beoordelen, omdat zij niet alle door de raad benodigde gegevens hebben overgelegd. Vanwege het ontbreken daarvan en, gelet daarop, de onmogelijkheid om de haalbaarheid van de plannen te beoordelen heeft de raad in redelijkheid een agrarische bestemming aan de gronden kunnen toekennen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten sub 2], mede gezien de strekking van de brief van 5 mei 2011, niet aannemelijk gemaakt dat door een daartoe bevoegd persoon een toezegging is gedaan dat het gemeentebestuur zonder de daartoe benodigde informatie zonder meer bereid was zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van de manege.

2.6.3. Inzake de door [appellanten sub 2] gemaakte vergelijking met het perceel aan het Veerstalblok 47 overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op het perceel aan het Veerstalblok 47 - anders dan aan het perceel aan het [locatie 2] - naast de bestemming "Wonen" ook een recreatieve bestemming is toegekend aan de gronden waar vier recreatiewoningen staan. Kamer en [appellant sub 2B] hebben deze stellingname niet weerlegd. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de situatie op hun perceel.

2.7. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

375-718.