Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201105158/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college de bij besluit van 29 maart 2007 aan [appellante] verleende milieuvergunning voor een cactuskwekerij en dierenpension aan [locatie]6 te De Kwakel, gewijzigd. Dit besluit is op 24 maart 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5203

Uitspraak

201105158/1/A4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college de bij besluit van 29 maart 2007 aan [appellante] verleende milieuvergunning voor een cactuskwekerij en dierenpension aan [locatie]6 te De Kwakel, gewijzigd. Dit besluit is op 24 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2012, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. S.N. Altuntas en R.L. Florentinus, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. van der Wijst en ir. L.P.M. Hertsig, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in art. 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

2.3. [appellante] betoogt onder meer dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Daartoe verwijst zij naar het geluidrapport van M+P raadgevende ingenieurs van 12 januari 2011, nummer M+P.POCAH.11.01.1, en het rapport van Tauw B.V. van 24 maart 2011, kenmerk L001-4780114RVN-vsa-V01-NL. Uit deze rapporten blijkt volgens [appellante] dat de inrichting in de dag- en avondperiode niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen.

2.3.1. Ingevolge voorschrift D.1, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, mag het langtijd gemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift D.2, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, mag het maximale geluidniveau niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3.2. Volgens het rapport van M+P van 12 januari 2011 bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting bij de nabijgelegen woningen 44, 40 en 25 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximaal optredende geluidniveau bedraagt 69 dB(A) voor de dagperiode en 63 dB(A) voor de avondperiode.

Het rapport van Tauw B.V. van 24 maart 2011 is gebaseerd op twee metingen in de dagperiode en één meting in de avondperiode, alle op verschillende dagen. Volgens dit rapport bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode 44 dB(A) en in de avondperiode 41 dB(A) en bedraagt het maximale geluidniveau 51 tot 54 dB(A) in de dagperiode en 53 dB(A) in de avondperiode.

Weliswaar heeft het college bij het rapport van M+P een aantal kanttekeningen geplaatst, doch, gelet op de in beide onderzoeken gemeten waarden, is het naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat zonder nadere geluidsreducerende voorzieningen of maatregelen de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

2.3.3. Het college stelt zich op het standpunt dat met het aanbrengen van technische voorzieningen en het treffen van organisatorische maatregelen kan worden voldaan aan bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden. Daarbij noemt het college onder meer het toepassen van hogere en beter geluidabsorberende schermen, het verplaatsen en akoestisch afschermen van de buitenverblijven, het isoleren van het kasgedeelte waarin de dieren verblijven, het aanbrengen van suskasten en toegangssluizen, het beperken van het aantal maximaal te houden honden en het voeren van een strikt aannamebeleid. Het college verwijst hierbij naar de in zijn opdracht uitgevoerde geluidmetingen van 15 en 17 augustus 2011. Volgens het college blijkt uit deze metingen dat aan de grenswaarden voor het maximale geluidniveau wordt voldaan en dat de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau slechts in geringe mate wordt overschreden.

2.3.4. Naar opgave van het college zijn op 15 en 17 augustus 2011 voor het equivalente geluidniveau (Laeq) vanwege de inrichting waarden gemeten van 46,3 en 47,8 dB(A) in de dagperiode en voor het maximale geluidniveau 52 dB(A) in de dagperiode. De bij het bestreden besluit gestelde waarden betreffen niet het equivalente geluidniveau maar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Uit de metingen kan niet worden afgeleid dat de waarden die gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau slechts in geringe mate worden overschreden. Voorts ligt de gemeten waarde voor het maximale geluidniveau van 52 dB(A) boven de geldende waarde van 50 dB(A).

Verder is het college er kennelijk aan voorbij gegaan dat de te treffen technische en organisatorische geluidreducerende maatregelen moeten passen binnen de grondslag van de aanvraag op basis waarvan bij besluit van 29 maart 2007 vergunning is verleend. Indien de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden er toe nopen dat maatregelen en voorzieningen worden getroffen die niet passen binnen de grondslag van vergunningaanvraag, zou een inrichting ontstaan die afwijkt van de verleende vergunning, dan wel zou het drijven van de inrichting zoals vergund niet mogelijk zijn. Dit is strijd met het systeem van de Wet milieubeheer.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande, in bijzonder op de verschillende geluidsonderzoeken, is het onzeker dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd met voorzieningen en maatregelen die binnen de grondslag van de aanvraag om de onderliggende vergunning passen.

2.3.6. Het beroep is gegrond. Het besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de Wet milieubeheer.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn van 18 maart 2011, kenmerk 11.003025;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

190-738.