Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201104825/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college ingestemd met het saneringsplan voor de bodemverontreiniging op de locatie Soerenseweg 24 te Apeldoorn. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Wet bodembescherming 39b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/143 met annotatie van Y. Flietstra
JBO 2013/62 met annotatie van H.J. Bos
JAF 2012/129 met annotatie van Van der Meijden
JAF 2012/130 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5202

Uitspraak

201104825/1/A4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten[] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Apeldoorn,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college ingestemd met het saneringsplan voor de bodemverontreiniging op de locatie Soerenseweg 24 te Apeldoorn. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201104822/1/A4 ter zitting behandeld op 30 juli 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. ing. G.J. Kremers, en het college, vertegenwoordigd door ir. I. Hakbijl en mr. drs. G.R.G. van Thiel, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

2.2. Vaststaat dat voor het onderhavige geval van verontreiniging op grond van een eerder saneringsplan grondwateronttrekkingen hebben plaatsgevonden. Na deze sanering is een restverontreiniging in de bodem achtergebleven. Het nieuwe saneringsplan voorziet in monitoring gedurende tien jaar van de resterende verontreiniging van het grondwater. Doel daarvan is aan te tonen dat een stabiele eindsituatie is ontstaan en dat de in de bodem aanwezige restverontreiniging niet leidt tot risico's voor het huidige gebruik.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte met het saneringsplan heeft ingestemd, nu de uitvoering van het oude saneringsplan nog niet is afgerond.

2.3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200708211/1, verzet de Wet bodembescherming zich er niet tegen dat voor een geval van verontreiniging achtereenvolgens meerdere saneringsplannen aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Het bevoegd gezag dient met betrekking tot elk saneringsplan zelfstandig te beoordelen of instemming kan worden verleend. Gelet op artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming mag het college instemming uitsluitend onthouden indien niet wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens artikel 38 is bepaald. Dat eerder is ingestemd met een saneringsplan kon voor het college dan ook geen reden vormen om instemming aan het nieuwe saneringsplan te onthouden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat hij bij handelingen op of in de bodem, zoals bij graafwerkzaamheden en grondwateronttrekkingen, kan worden geconfronteerd met de aanwezige restverontreiniging. Volgens hem had daarom in het saneringsplan niet mogen worden volstaan met het monitoren van de resterende verontreiniging van het grondwater, maar hadden ook maatregelen voor sanering van de grond moeten worden voorgeschreven. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellant] betwijfelt of aan de in artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde eisen wordt voldaan.

2.4.1. Het college stelt dat het heeft ingestemd met een functionele en kosteneffectieve sanering en dat daarmee aan artikel 38 van de Wet bodembescherming wordt voldaan. De gekozen wijze van sanering verdient volgens hem de voorkeur omdat op basis van uitgevoerde berekeningen en de actuele verontreinigingsituatie het aannemelijk is dat reeds een stabiele eindsituatie is ontstaan. Voorts wordt de mogelijkheid van het nemen van saneringsmaatregelen beperkt door de op de locatie aanwezige bebouwing. Volgens het college blijft de bodem met de gekozen saneringsvariant geschikt voor het huidige gebruik en leidt de aanwezige restverontreiniging niet tot risico's voor mens, plant of dier. Het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem valt niet onder het huidige gebruik daarvan, aldus het college.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat in artikel 38 van de Wet bodembescherming wordt uitgegaan van functionele sanering, waarbij de bodem ten minste geschikt moet worden gemaakt voor de functie die hij na sanering krijgt. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat op grond van artikel 38, eerste lid, sub c, van de Wet bodembescherming multifunctioneel moet worden gesaneerd, vindt dit geen steun in de Wet bodembescherming. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen instemmen met een functionele sanering. Gelet op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat niet aan de in artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde eisen wordt voldaan. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college bij besluit van gelijke datum heeft vastgesteld dat het onderhavige geval van verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. De Afdeling heeft bij uitspraak van heden in zaak nr. 201104822/1/A4 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] stelt dat ten onrechte alleen voor benzeen een actiewaarde, dat wil zeggen een waarde voor het in werking stellen van het terugvalscenario, is vastgesteld. Andere verontreinigende stoffen worden volgens hem ten onrechte niet gemonitord, waardoor zij zich onbeperkt kunnen verspreiden.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld en ter zitting toegelicht dat alleen een actiewaarde voor benzeen ter plaatse van de verontreinigingspluim is vastgesteld omdat benzeen de meest mobiele, en daarmee maatgevende, stof is. Dit laat volgens het college onverlet dat bij de analyse van het grondwater alle verontreinigende stoffen worden betrokken en dat ook ten aanzien van die stoffen een afnemende trend in concentraties zal moeten worden waargenomen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in het saneringsplan opgenomen monitoringsplan toereikend is om te kunnen vaststellen of aan artikel 38 van de Wet bodembescherming wordt voldaan.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] stelt dat in het saneringsplan ten onrechte geen overzicht van de tussentijds beoogde effecten is opgenomen. Volgens hem ontbreekt het in het saneringsplan ook aan voldoende concrete beslis- en ijkmomenten. Evenmin zijn concrete maatstaven opgenomen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of teruggegrepen moet worden op het terugvalscenario, aldus [appellant].

2.6.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, houdt een saneringsplan, indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen zich uitstrekken over een periode van drie jaar of meer, in ieder geval in:

1o een overzicht van de tussentijdse beoogde effecten, en de tijdstippen waarop gedeputeerde staten schriftelijk worden geïnformeerd omtrent de effecten van de getroffen maatregelen en in hoeverre deze overeenstemmen met de beoogde effecten;

2o een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten, bedoeld onder b, te bereiken, voor het geval de in het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou leiden.

2.6.2. In het saneringsplan is opgenomen dat jaarlijks een rapportage aan het college dient te worden overgelegd. Daarin moeten onder meer een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden en relevante ontwikkelingen in de omgeving van de verontreiniging, tekeningen van de oude en nieuwe verontreinigingsituatie en conclusies en aanbevelingen worden opgenomen. Het vijfde en tiende jaar worden als ijkmomenten gehanteerd, waarbij wordt beoordeeld of aan de saneringsdoelstelling wordt voldaan. In die jaren dient een uitgebreide rapportage aan het college te worden overgelegd, waarin onder meer een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden en het gedrag van de pluim, de resultaten van de monitoring, een voorspelling van het verdere gedrag van de pluim en conclusies met betrekking tot het behalen van de saneringsdoelstelling moeten zijn opgenomen. Voorts wordt bij het eerste ijkmoment besloten of de omgevingsgerichte monitoring voor de flanken van de pluim kan worden beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn hiermee voldoende concrete beslis- en ijkmomenten en tussentijds beoogde effecten gegeven. Het saneringsplan voldoet in zoverre aan artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming.

In het saneringsplan is voorts beschreven dat, indien tijdens een monitoringsronde een overschrijding van de actiewaarde wordt aangetoond, binnen drie maanden een nieuwe meting moet worden uitgevoerd. Bij bevestiging van het eerdere meetresultaat ontstaat een kritisch moment, waarna in combinatie met de overige gegevens een trendanalyse wordt uitgevoerd. Het terugvalscenario treedt in werking indien uit de trendanalyse blijkt dat de stijging van de concentratie benzeen ter plaatse van het front en daarmee het verder verschuiven van het front niet op korte termijn stopt. De Afdeling is van oordeel dat hiermee een voldoende concrete maatstaf is gegeven aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of teruggegrepen moet worden op het terugvalscenario. Ook in zoverre wordt voldaan aan artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] voert aan dat in het saneringsplan is vermeld dat indien de start van de sanering anders uitvalt dan gepland en buiten de daarin gestelde termijn valt, dit schriftelijk aan het college moet worden gemeld. Volgens [appellant] wordt hiermee de mogelijkheid geboden om de sanering uit te stellen of achterwege te laten. Dit leidt tot rechtsonzekerheid, aldus [appellant].

2.7.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, houdt het saneringsplan in ieder geval het tijdstip in waarop de sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd.

2.7.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 december 2007 in zaak nr. 200700159/1, volgt uit deze bepaling niet dat het in het saneringsplan aangegeven tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd met zekerheid gehaald zal worden. Voldoende is dat het verwachte tijdstip wordt vermeld. In het bestreden besluit is vermeld dat de sanering in 2011 een aanvang neemt en dat de sanering naar verwachting tien jaar duurt. Het saneringsplan voldoet in zoverre aan artikel 39, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet bodembescherming.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Wat het betoog van [appellant] betreft dat het college er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat zijn eigendommen in waarde zullen dalen vanwege de in de bodem aanwezige restverontreiniging, wordt overwogen dat dit aspect geen betrekking heeft op het belang dat de Wet bodembescherming beoogt te beschermen.

2.9. Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het saneringsplan voldoet aan artikel 39 van de Wet bodembescherming en dat aan de in artikel 38 van die wet gestelde eisen wordt voldaan. Gelet hierop bestond geen grond om instemming aan het saneringsplan te onthouden.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

163-732.