Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201104822/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college vastgesteld dat zich op de locatie Soerenseweg 24 te Apeldoorn een geval van ernstige verontreiniging bevindt en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/128 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

201104822/1/A4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Apeldoorn,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college vastgesteld dat zich op de locatie Soerenseweg 24 te Apeldoorn een geval van ernstige verontreiniging bevindt en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201104825/1/A4 ter zitting behandeld op 30 juli 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. ing. G.J. Kremers, en het college, vertegenwoordigd door ir. I. Hakbijl en mr. drs. G.R.G. van Thiel, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, of een nader onderzoek in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2.2. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 29, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming en heeft betrekking op de locatie Soerenseweg 24. Vaststaat dat op deze locatie een tankstation gevestigd was en dat de bodem op deze locatie in het verleden is gesaneerd. [appellant] is eigenaar van de [locatie].

2.3. Aan het bestreden besluit ligt onder meer een rapport van Oranjewoud van 29 juli 2010 ten grondslag. Uit dit rapport blijkt dat zich op de locatie Soerenseweg 24 thans nog een geval van ernstige verontreiniging voordoet. Volgens de risicobeoordeling in het rapport van Oranjewoud zijn er geen onaanvaardbare risico's voor mens, plant of dier. Evenmin bestaat er een onaanvaardbaar risico van verspreiding van verontreiniging. Gelet hierop is spoedige sanering volgens het college niet noodzakelijk.

2.4. [appellant] voert aan dat in het rapport van Oranjewoud slechts een globaal beeld van de omvang van het onderhavige geval van verontreiniging wordt gegeven, waardoor niet kan worden uitgesloten dat het geval een groter gebied bestrijkt dan in het bestreden besluit is vermeld. Ter zitting heeft [appellant] voorts gesteld dat het geval van verontreiniging had moeten worden afgebakend aan de hand van de streefwaarde en niet aan de hand van de interventiewaardecontour.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 3.2 van het rapport van Oranjewoud uitgebreid wordt ingegaan op de omvang van het onderhavige geval van verontreiniging. Daaruit blijkt dat het geval van verontreiniging is afgebakend aan de hand van zowel de interventiewaardecontour als de streefwaarde. Voorts blijkt uit het rapport van Oranjewoud dat niet alleen op de locatie Soerenseweg 24, maar ook op nabijgelegen locaties onderzoek is verricht. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat het college de omvang van het geval van verontreiniging onvoldoende of onjuist in kaart heeft gebracht.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de binnenluchtmetingen, op grond waarvan in het rapport van Oranjewoud is geconcludeerd dat er geen onaanvaardbare risico's zijn voor de mens, onvoldoende betrouwbaar en niet representatief zijn. Daartoe voert hij aan dat de metingen zijn uitgevoerd op te weinig locaties en dat er slechts één monster per locatie is genomen. Volgens [appellant] moeten de binnenluchtmetingen ook in verschillende seizoenen worden uitgevoerd. Dit volgt volgens hem uit het rapport "Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordeling van bodemverontreiniging" (rapportnummer 711701048/2007), opgesteld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) in 2007. Voorts heeft het college, aldus [appellant], bij de beoordeling van de gemeten binnenluchtconcentraties ten onrechte verwezen naar het in 2004 door het RIVM opgestelde rapport "Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu" (rapportnummer 609021029/2004), in plaats van naar een geactualiseerde versie daarvan uit 2007 (rapportnummer 609021043/2007).

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat de metingen zijn uitgevoerd in de kelder/kruipruimte van de locaties Soerenseweg 24 en [locatie]. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeten concentraties ruim beneden de door het RIVM geadviseerde TCL-waarden (toelaatbare concentratie in de lucht) liggen en dat de metingen zijn uitgevoerd in een periode waarin de grondwaterstand het hoogst is. Wat het betoog van [appellant] betreft dat het college bij de beoordeling van de gemeten concentraties ten onrechte naar een RIVM-rapport uit 2004 heeft verwezen en niet naar een geactualiseerde versie daarvan uit 2007, heeft het college gesteld dat dit een verschrijving betreft en dat de in beide rapporten geadviseerde TCL-waarden gelijk zijn. Ten aanzien van het betoog dat de binnenluchtmetingen in verschillende seizoenen moeten worden uitgevoerd, wordt overwogen dat uit paragraaf 3.5.2 van het door [appellant] daarbij genoemde RIVM-rapport niet volgt dat het bevoegd gezag zonder meer verplicht is om binnenluchtmetingen in verschillende seizoenen uit te voeren. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de beoordeling of er onaanvaardbare risico's zijn voor de mens zich niet op het rapport van Oranjewoud en de daaraan ten grondslag liggende binnenluchtmetingen heeft mogen baseren.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] stelt dat bij de beoordeling of een onaanvaardbaar risico van verspreiding van verontreiniging bestaat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van een drijflaag. Daartoe voert hij aan dat op grond van eerdere onderzoeken de aanwezigheid van een drijflaag mag worden verwacht. Volgens [appellant] kan een drijflaag niet worden aangetoond omdat de peilbuizen 607 tot en met 610 niet snijdend zijn geplaatst. Daarnaast heeft het college bij de berekening van het verspreidingsrisico ten onrechte niet de retardatiefactor, dat wil zeggen de factor die betrekking heeft op de snelheid waarmee een stof zich ten opzichte van het grondwater in de bodem verspreidt, voor benzeen als uitgangspunt genomen, aldus [appellant].

2.6.1. Het college heeft de spoedeisendheid van sanering beoordeeld aan de hand van de Circulaire bodemsanering 2009 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Circulaire). In de Circulaire is vermeld dat in een onbeheersbare situatie onaanvaardbare risico's van verspreiding van verontreiniging bestaan. Daarbij wordt er van uitgegaan dat indien een drijflaag aanwezig is, deze zich ook autonoom kan verspreiden en daarmee een onbeheersbare situatie wordt gecreëerd. Van een onbeheersbare situatie is evenzeer sprake indien de verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging en de verspreiding nog steeds plaatsvindt. Dit is het geval indien het bodemvolume met daarin verontreinigd grondwater met één of meer stoffen in gehalten boven de interventiewaarde groter is dan 6.000 m3 en er jaarlijks meer dan 1.000 m3 bodemvolume extra verontreinigd raakt met grondwater dat één of meer stoffen bevat in gehalten boven de interventiewaarden.

2.6.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen onaanvaardbaar risico van verspreiding van verontreiniging bestaat, nu uit het rapport van Oranjewoud blijkt dat er geen drijflaag aanwezig is en dat het bodemvolume met verontreinigd grondwater jaarlijks niet met meer dan 1.000 m3 toeneemt. Daarbij is het uitgegaan van de gemiddelde retardatiefactor voor aromaten.

2.6.3. In het rapport van Oranjewoud is gesteld dat ter plaatste van de snijdende peilbuizen 303 en 304, die zich in de kern van de verontreiniging bevinden, geen drijflaag aanwezig is. Voorts is vermeld dat, als er al een drijflaag aanwezig is geweest, deze niet meer aanwezig is vanwege de goede doorlatendheid van de bodem, de ouderdom van de verontreiniging en de sanering die in het verleden is uitgevoerd. Dat de peilbuizen 607 tot en met 610 niet snijdend zijn geplaatst noch hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, biedt aanleiding om op dit punt aan de juistheid van het rapport van Oranjewoud te twijfelen. Wat het betoog van [appellant] betreft dat bij de berekening van het verspreidingsrisico ten onrechte niet de retardatiefactor voor benzeen als uitgangspunt is genomen, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat is gebleken dat een berekening van het verspreidingsrisico op basis van de retardatiefactor voor benzeen in het onderhavige geval niet representatief is voor de mate van verspreiding. In het onderhavige geval blijkt de verontreiniging zich minder snel te hebben verspreid dan op grond van de retardatiefactor voor benzeen mocht worden verwacht. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat spoedige sanering niet noodzakelijk is.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

163-732.