Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201110048/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Steensel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110048/1/R3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Steensel, gemeente Eersel,

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Steensel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar [appellanten], in de persoon van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door P. Kieboom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], belanghebbende, vertegenwoordigd door P.M. van Herk, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van twee woningen in het buitengebied, op het perceel [locatie 1] te Steensel. Hieraan ligt volgens het bestreden besluit het beleid uit de provinciale Nota Buitengebied in ontwikkeling (hierna: Nota BIO) ten grondslag.

2.2. Ter zitting hebben [appellanten] hun beroepsgrond betreffende de tijdigheid van de aanvraag van [belanghebbende], eigenaar van het perceel [locatie 1], om aanspraak te kunnen maken op de Nota BIO, ingetrokken.

2.3. [appellanten], die wonen aan de [locatie 2], betogen dat het beleid zoals neergelegd in de Nota BIO bij het bestreden besluit onjuist is toegepast. Zo is niet duidelijk of het plangebied ligt in een bebouwingsconcentratie. Voorts is geen sprake van een kwaliteitsverbetering, maar leidt het plan tot verstening van het buitengebied. Hetgeen hierover staat vermeld in de plantoelichting is te beknopt en niet duidelijk. Voorts is het op grond van de Nota BIO niet toegestaan nieuwe agrarische bebouwing toe te voegen op plaatsen waar met gebruikmaking van de BIO-regeling opstallen zijn gesloopt. Volgens [appellanten] wordt niet voldaan aan de maximale afmetingen en inhoudsmaten die gelden op grond van de Nota BIO. Ten slotte blijkt uit de toelichting niet welke in de Nota BIO vereiste financiële bijdrage wordt gedaan.

2.3.1. De raad stelt dat sprake is van een bebouwingsconcentratie, nu dit in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is vastgelegd. Voorts kent de Nota BIO volgens de raad geen voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de BIO-woning, de grootte van een bijgebouw, de oppervlakte van het perceel en de afdracht per woning. De Nota BIO sluit voorts niet uit dat een grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig blijft of gevestigd wordt, aldus de raad.

2.3.2. Volgens de begripsbepalingen in de Nota BIO moet onder bebouwingsconcentratie worden verstaan een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. Op grond van de Nota BIO dienen de hiervoor in aanmerking komende bebouwingsconcentraties op gemeentelijk niveau nader te worden begrensd.

2.3.3. In de Nota BIO is niet vastgelegd in welke vorm de begrenzing van bebouwingsconcentraties als bedoeld in de Nota BIO door de raad moet worden vastgesteld. Gelet hierop is de vaststelling van die begrenzing vormvrij en kan deze worden vastgelegd in een bestemmingsplan. In het ten tijde van de vaststelling van het plan geldende bestemmingsplan "Buitengebied Eersel" is aan het hele thans voorliggende plangebied de gebiedsaanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie" toegekend. Uit de bijbehorende planregels volgt dat het gebied als bebouwingsconcentratie is aangemerkt en er bepaalde functiewijzigingen zijn toegestaan. Hieruit blijkt voldoende dat het plangebied in een bebouwingsconcentratie ligt als bedoeld in de Nota BIO.

2.3.4. In de Nota BIO staat dat een belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden in bebouwingsconcentraties een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit is. Voor de toepassing van dit beleid, is het noodzakelijk dat de gemeente vooraf een integrale visie voor het gebied met zijn omgeving opstelt, voorzien van een gedegen ruimtelijke onderbouwing, en waarin wordt aangegeven hoe een verbetering van de kwaliteit van de omgeving zal worden bereikt. In de Nota BIO is niet vastgelegd in welke vorm de integrale gebiedsvisie moet worden vastgesteld. Deze is derhalve vormvrij. Door de raad is ter zitting toegelicht dat voor de gemeente Eersel wel een concept-BIO-beleid is vastgesteld, maar dat een definitieve vaststelling van dat beleid na de afschaffing van het provinciale BIO-beleid niet meer nodig werd geacht. De raad is onder andere met betrekking tot de toepassing van het beleid uit de Nota BIO ten behoeve van het voorliggende plan, zoals verwoord in het gemeentelijke concept-BIO-beleid, met het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: het college) in overleg getreden. Het college heeft, na enkele opmerkingen naar aanleiding waarvan het plan is aangepast, kunnen instemmen met het plan. Uiteindelijk is het concept-BIO-beleid in de plantoelichting opgenomen. Hiermee is onder de gegeven omstandigheden voldaan aan het vereiste in de Nota BIO dat een integrale visie wordt opgesteld.

Ten aanzien van de in de Nota BIO vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering staat in de plantoelichting dat de boomkwekerij die thans is gevestigd in het plangebied landschappelijk slecht is ingepast. Het saneren van de aanwezige glasopstanden in ruil voor de bouw van twee nieuwe woningen kan bijdragen aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze kwaliteitsverbetering onvoldoende duidelijk is beschreven in de plantoelichting. Voorts acht de Afdeling dit standpunt van de raad niet onredelijk. Er bestaat gelet hierop evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een verstening van het buitengebied. Over het betoog van [appellanten] ter zitting dat de Gender ten onrechte bij de kwaliteitsverbetering is betrokken, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de plantoelichting blijkt dat het herstel van de Gender, waarbij de beek wordt verlegd en een ecologische verbindingszone wordt aangelegd, is opgenomen in het "projectplan voor beekherstel en aanleg EVZ de Gender". Bij het verleggen van de beek wordt een natuurstrook van ten minste 15 m aangelegd in het gebied tussen de beek en de bosrand. Hierbij wordt een oppervlakte aan nieuwe natuur en landschapselementen gerealiseerd van ten minste 6.000 m². Gelet hierop valt niet in te zien waarom de Gender te weinig van waarde is om deze bij de kwaliteitsverbetering van het landschap te betrekken.

2.3.5. Voorts volgt uit de Nota Bio niet, anders dan [appellanten] kennelijk menen, dat het niet is toegestaan nieuwe agrarische bebouwing toe te voegen op plaatsen waar met gebruikmaking van de BIO-regeling opstallen zijn gesloopt.

Ten aanzien van de door [appellanten] gestelde vereiste afmetingen en inhoudsmaten overweegt de Afdeling dat in de Nota BIO staat dat in het provinciale beleid geen beperkingen worden gesteld aan functies en of maximaal toelaatbare oppervlakten. Op gemeentelijk niveau dient te worden aangegeven welke functies, en tot welke omvang, passend worden geacht binnen de bebouwingsconcentraties. De in het plan voorziene functies en omvang zijn vastgelegd in de planregels. Deze zijn in overeenstemming met de Structuurvisie 2011 gemeente Eersel. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Aan hetgeen ten aanzien van deze punten is opgenomen in het BIO-beleid van andere gemeenten, waarnaar [appellanten] ter zitting hebben verwezen, is de raad niet gebonden en dit is derhalve hier niet van belang.

2.3.6. Ten aanzien van de in de Nota BIO vereiste financiële tegenprestatie is in paragraaf 4.10 van de plantoelichting een verantwoording gegeven van de landschapsinvestering van de initiatiefnemer van het plan in vergelijking met de te behalen financiële meerwaarde van het plan. Het betreft het verleggen en laten meanderen van een beek, de aanleg van een natuurstrook en de aanleg van houtwallen, heggen, bossingels en lanen. Deze investering in het landschap bedraagt € 272.000,00. Het betoog van [appellanten] dat uit de toelichting niet blijkt welke financiële bijdrage wordt gedaan, mist gelet op het voorgaande feitelijke grondslag. Zij hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij ter zitting hebben betoogd, de landschapsinvesteringen niet juist zijn weergegeven. In dit verband is door de raad ter zitting toegelicht dat, anders dan [appellanten] kennelijk veronderstellen, aan de initiatiefnemer van het plan geen subsidie is verstrekt. De bedragen zoals vermeld in paragraaf 4.10 van de plantoelichting zijn slechts een schatting waarvoor aansluiting is gezocht bij de normering in subsidieregelingen.

2.3.7. Gelet op al het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid zoals neergelegd in de Nota BIO bij het bestreden besluit onjuist is toegepast. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] stellen voorts dat de in het plan voorziene stal leidt tot een aantasting van hun uitzicht.

2.4.1. Gelet op de afstand tussen de woning van [appellanten] en de dichtstbijzijnde woning in het plangebied van ongeveer 130 m is de Afdeling van oordeel dat ten gevolge van het plan het uitzicht van [appellanten] niet zodanig wordt aangetast dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

2.5. Voor het overige verwijzen [appellanten] naar de door hen tegen het ontwerp van het plan ingediende zienswijze. In het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijz[appellanten] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.6. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

350-653.