Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201109767/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Wielblok" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5725
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3089

Uitspraak

201109767/1/R3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heusden,

en

de raad van de gemeente Heusden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Wielblok" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2011, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte II C.V., belanghebbende, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, en de raad, vertegenwoordigd door A.M.E. te Brake, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ruimte voor Ruimte II C.V., vertegenwoordigd door J.P.W. van den Boogert en J.C.J. Romme, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant], die woont aan de [locatie], stelt dat de in het plan voorziene woningen op een te korte afstand komen te staan van zijn bedrijf. Volgens [appellant] is, anders dan de raad meent, op zijn perceel sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het bedrijfsmatige karakter van het houden van zijn dieren blijkt volgens [appellant] onder meer uit het feit dat in 1994 voor zijn veehouderij een milieuvergunning is verleend en dat zijn melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer in 2009 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden is geaccepteerd. De woonbestemming die op zijn perceel rust in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" doet niet af aan het feit dat op zijn perceel sprake is van een inrichting, nu op zijn perceel het overgangsrecht van dat plan van toepassing is, aldus [appellant].

Nu in het plan het uit het Besluit landbouw milieubeheer voortvloeiende toepassingscriterium van een afstand van 100 m tussen zijn inrichting en de voorziene woningen niet in acht wordt genomen, wordt [appellant] volgens eigen zeggen beperkt in zijn bedrijfsvoering. Door dit niet te onderkennen is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid, aldus [appellant].

2.1.1. De raad stelt dat op het perceel van [appellant] geen inrichting is gevestigd of toegestaan waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

2.1.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

2.1.3. Het plan voorziet op een afstand van 24 m tot de dichtstbijzijnde stal op het perceel van [appellant] in zes nieuwe woningen. Op het perceel van [appellant] was ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 van toepassing. In dit plan is aan zijn perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften bij dat bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor:

a. het wonen;

b. tuinen en erven;

(…)

met de daarbij behorende:

- gebouwen;

- bouwwerken, geen gebouw zijnde;

- werken geen bouwwerk zijnde.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, mag het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht krijgt, worden gehandhaafd.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel is het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing op gebruik als daar bedoeld, dat reeds in strijd was met het tot het daar genoemde tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat tot op drie maanden voor dat tijdstip nog niet bestond.

2.1.4. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat hij in 1996 10 koeien en 30 schapen had op zijn perceel, waarvoor ook een milieuvergunning was verleend. Naar eigen zeggen had [appellant] ten tijde van de melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer in 2009 in elk geval 4 ganzen, 10 geiten, 4 paarden, 20 kippen, 5 pauwen en 5 katten op zijn perceel. Voor zover, zoals [appellant] heeft betoogd, het gebruik van zijn perceel uit 1996 werd beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied", is dit gebruik in de loop der tijd zo veranderd dat het overgangsrecht is uitgewerkt en daarop geen beroep meer kan worden gedaan. Aan de acceptatie van de melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer in 2009 kan niet die betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan toegekend wil hebben, nu dit enkel een administratieve handeling is die niet kan worden opgevat als een toestemming voor de in die melding omschreven activiteiten en evenmin als een erkenning dat die activiteiten plaatsvinden in een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Aan de milieuvergunning uit 1994 komt in dit verband evenmin betekenis toe.

Gelet op al het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het perceel van [appellant] niet bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dieren worden gehouden, waarmee hij bij de vaststelling van het hier aan de orde zijnde plan rekening diende te houden. Het betoog faalt.

2.2. Voorts is volgens [appellant] onvoldoende duidelijk wat in artikel 6.3 van de planregels wordt bedoeld met onevenredige aantasting. Dit is volgens hem in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.2.1. Ingevolge artikel 6.3 van de planregels, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing indien dit noodzakelijk is:

b. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

d. ter voorkoming dat bebouwing de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden in inrichtingen, woningen en bouwwerken onevenredig aantast.

2.2.2. Artikel 6.3 van de planregels regelt onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het begrip onevenredige aantasting geeft het college van burgemeester en wethouders daarbij enige beoordelingsvrijheid. Per geval zal moeten worden beoordeeld of de concrete invulling van de bebouwingsmogelijkheden leidt tot een onevenredige aantasting. Voorts staan tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen rechtsmiddelen open. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip onevenredige aantasting onvoldoende duidelijk of in strijd met de rechtszekerheid is. Het betoog faalt.

Overigens is ter zitting door de raad toegelicht dat geen onevenredige aantasting van het gebruik van het perceel van [appellant] zal plaatsvinden en er derhalve geen aanleiding is om nadere eisen te stellen.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

350-653.