Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201106219/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2011 heeft het college aan de stichting Stichts Asyl voor Dieren een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een dierenasiel aan de Koningsweg 141 te Utrecht. Dit besluit is op 27 april 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/839
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5197

Uitspraak

201106219/1/A4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2011 heeft het college aan de stichting Stichts Asyl voor Dieren een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een dierenasiel aan de Koningsweg 141 te Utrecht. Dit besluit is op 27 april 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door drs. R. Balkema en ir. J.H.M. Kerp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de voorzitter het onderzoek ter zitting geschorst ten einde het college in de gelegenheid te stellen een nieuw voorschrift 1.4.4. te formuleren. Na de zitting heeft het college ter zake een nader stuk ingediend, waarop [appellant] en Stichts Asyl een zienswijze hebben ingediend.

2. Overwegingen

Toepasselijk recht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Het bestreden besluit

2.2. Bij besluit van 26 april 2011 heeft het college op verzoek van Stichts Asyl krachtens artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het veranderen van een dierenasiel. De verandering ziet onder meer op de gebruiksmogelijkheden. Zo mag de speelweide door 15 honden in plaats van 5 worden gebruikt en wordt het toegestane aantal honden in de buitenkennels vergroot van 42 naar 85.

Intrekking beroepsgrond

2.3. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond, inhoudende dat het college ten onrechte geen beoordeling heeft gemaakt of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, ingetrokken.

Algemeen toetsingskader

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geur

2.5. [appellant] betoogt dat het college heeft miskend dat de verandering van de inrichting een toename van geurhinder met zich brengt.

2.5.1. Het college is er in het bestreden besluit vanuit gegaan dat de vergunde verandering wat betreft de geurgevolgen kon worden verleend.

2.5.2. Ter zitting heeft het college het bestreden besluit toegelicht en zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ruime afstand van 275 meter tussen de inrichting en de woning van [appellant], geurhinder, voor zover deze al zou optreden, hetgeen het college niet verwacht, als gevolg van de verandering van de inrichting niet zal toenemen. [appellant] heeft niet met argumenten onderbouwd waarom het door het college ingenomen standpunt niet juist is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college in verband met geurhinder de vergunning niet in redelijkheid heeft mogen verlenen. De beroepsgrond faalt.

Geluid - beste beschikbare technieken

2.6. [appellant] betoogt dat wat betreft de geluidisolatie van de kennels het college niet heeft beoordeeld of in de inrichting de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.6.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geluidhinder door de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden, die blijkens een uitgebracht akoestisch rapport kunnen worden nageleefd, in voldoende mate wordt beperkt.

2.6.2. [appellant] heeft als zodanig niet betwist dat de in de vergunning voorgeschreven geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming van geluidhinder. Gelet hierop ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de geluidgrenswaarden, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 2 juni 2010, in zaak nr. 200906507/1/M2 betreffende de voorgaande veranderingsvergunning, niet aansluiten bij de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Het betoog faalt.

Geluid - voorschriften

2.7. Voorschrift 1.5.6. bepaalt dat tussen 19.00 uur en 7.00 uur zich geen honden in de buitenverblijven/buitenkennels of in de buitenren/speelweide mogen bevinden. Het uitlaten van honden buiten het terrein van de inrichting is gedurende die periode niet toegestaan.

2.7.1. [appellant] betoogt dat het ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.5.6. is toegestaan tussen 19.00 uur en 7.00 uur honden uit te laten op de toegangsweg/toevoerweg, die behoort tot de inrichting. Hij stelt hierdoor geluidhinder te vrezen.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat het Stichts Asyl geen vergunning heeft aangevraagd voor het uitlaten van honden tussen 19.00 uur en 7.00 uur binnen de inrichting. De vergunning staat dat dan ook niet toe. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college voorschrift 1.5.6. niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

2.8. Voorschrift 1.4.4. bepaalt dat op de toevoerweg uitwerpselen van de honden dagelijks worden opgeruimd en op milieuverantwoorde wijze worden afgevoerd.

2.8.1. [appellant] stelt geluidhinder te vrezen van het uitlaten van honden van de inrichting buiten het terrein van de inrichting. Hij betoogt dat het college weliswaar naar aanleiding van zijn zienswijze voorschrift 1.4.4. heeft gewijzigd, maar dat dit voorschrift het uitlaten van honden buiten het terrein van de inrichting niet verbiedt.

2.8.2. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat voor de door [appellant] gewenste aanpassing van voorschrift 1.4.4. Nu het college zich thans op een ander standpunt stelt dan het heeft gedaan bij het bestreden besluit, moet worden geoordeeld dat het besluit wat betreft voorschrift 1.4.4. in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wat betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.4.4.

2.9.1. Bij brief van 27 juni 2012 heeft het college een voorstel gedaan voor een gewijzigd voorschrift dat inhoudt dat het uitlaten van honden buiten het terrein van de inrichting niet is toegestaan. Het college noemt dit voorschrift, voorschrift 1.5.6., maar dit moet worden beschouwd als een kennelijke verschrijving. [appellant] heeft met de tekst van het voorgestelde voorschrift ingestemd. Het Stichts Asyl heeft verzocht om een geringe aanpassing van de tekst in die zin dat het voorschrift uitsluitend ziet op asielhonden. In een reactie hierop heeft [appellant] te kennen gegeven dat naar zijn opvatting het voorschrift ook dient te zien op pensionhonden. Nu de vergunning slechts rept van "honden" en er geen aanleiding is om de categorie honden te specificeren, zal de Afdeling in overeenstemming met het voorstel van het college een specificatie van het soort honden achterwege laten.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat door een voorschrift dat het uitlaten van honden buiten het terrein van de inrichting verbiedt, geluidhinder veroorzaakt door de in de inrichting verblijvende honden niet in toereikende mate wordt beperkt. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien en een nieuw voorschrift 1.4.4. aan de vergunning verbinden en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

Proceskosten

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 26 april 2011, kenmerk SO/Wm 6515.3, voor zover het voorschrift 1.4.4. betreft;

III. bepaalt dat voorschrift 1.4.4. als volgt komt te luiden:

"Het uitlaten van de honden buiten (het terrein van) de inrichting is verboden.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 26 april, kenmerk SO/Wm 6515.3, voor zover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht in de door [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.116,82 (zegge: elfhonderdzestien euro en tweeëntachtig cent), waarvan € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent) is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

163-742.