Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201113141/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6479, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2010 heeft de staatssecretaris aan de stichting een subsidie verleend voor de restauratie van de Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113141/1/A2.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, gevestigd te Haarlem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 november 2011 in zaak nr. 11/1448 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2010 heeft de staatssecretaris aan de stichting een subsidie verleend voor de restauratie van de Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem.

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar voor zover hier van belang ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 februari 2011 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2012.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] van het bestuur van de stichting, vergezeld van M.F.J. van Aken, G.W. van Hoogevest en L.G. Gerdessen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.H. Visser, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en ing. H. de Witte, deskundige, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling extra rijkssubsidiëring restauratie monumenten 2009 (hierna: de Rerrm 2009) wordt onder subsidiabele kosten in deze regeling verstaan kosten bedoeld in artikel 7, voor zover die naar het oordeel van de minister noodzakelijk zijn om een monument te restaureren.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover hier van belang, zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen als bedoeld in de Leidraad Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten subsidiabele instandhoudingskosten (hierna: de Leidraad), met dien verstande dat kosten uitsluitend subsidiabel zijn voor zover de werkzaamheden:

a. strekken tot restauratie van het beschermde monument en zijn monumentale waarden;

b. sober en doelmatig zijn;

c. technisch noodzakelijk zijn; en

d. de werkzaamheden zijn gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies.

Ingevolge punt 34 van de Leidraad zijn subsidiabel de kosten van:

º de instandhouding van glas-in-loodramen, al dan niet gebrandschilderd;

º de instandhouding van enkele beglazing;

º het, indien dat om materiaaltechnische of andere redenen noodzakelijk is, gedeeltelijk dan wel geheel vervangen van de beglazing, mits dit geschiedt op een bijpassende wijze c.q. met een in stijl passende glassoort;

º het aanbrengen van tegen teloorgang en vandalisme beschermende voorzetbeglazing bij bijzonder ontworpen glas-in-loodramen, waaronder gebrandschilderd glas, mits geadviseerd dan wel vooraf goedgekeurd door de minister.

Niet subsidiabel zijn de kosten van het aanbrengen van isolerende beglazing.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepsgronden gericht tegen het besluit op bezwaar voor zover dat betrof de weigering subsidie te verlenen voor het plaatsen van voorzetbeglazing voor ongeveer 20% van het glas en voor het reinigen van ongeveer 95% van het interieur van de kerk, ongegrond verklaard. In hoger beroep zijn voormelde elementen aan de orde. De bij de aangevallen uitspraak besproken reconstructie van de doopkapel en de reiniging van de buitengevel dient de staatssecretaris ten gevolge van de uitspraak opnieuw te bezien.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid subsidie heeft kunnen weigeren voor het aanbrengen van voorzetbeglazing voor ongeveer 20% van de glas-in-loodramen. Zij wijst erop dat de Leidraad het aanbrengen van voorzetglas bij ontworpen glas-in-loodramen, waaronder gebrandschilderd glas, subsidiabel acht en dat het in geding zijnde glas voor het grootste deel door de architect van de kerk is ontworpen. In het door de stichting bij de staatssecretaris ingediende rapport van Van Ruyven-Zeman is om die reden geadviseerd het glas van voorzetramen te voorzien, aldus de stichting. Verder wijst de stichting op de aanwezigheid van het grisaille glas, dat, naar onlangs is vastgesteld, ingebrand is en daarmee uniek in zijn soort.

De stichting voert daarbij aan dat in een vergelijkbaar geval, namelijk de Sint-Vituskerk te Hilversum, wel subsidie is verleend voor het plaatsen van voorzetramen. Het niet toekennen van subsidie is daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft dit miskend door te oordelen dat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen, omdat het aanbrengen van voorzetramen aan de Sint-Vitus is gesubsidieerd op basis van een oudere subsidieregeling. De oudere regeling wijkt slechts in die zin af, dat advisering of een goedkeuring van de minister vooraf niet noodzakelijk was. Nu de stichting is geadviseerd komt haar situatie verder overeen met die van de Sint-Vituskerk, aldus de stichting.

2.3.1. De stichting gaat met haar betoog eraan voorbij dat de staatssecretaris invulling mag geven aan het begrip 'bijzonder ontworpen glas-in-loodramen' als bedoeld in punt 34 van de Leidraad. De staatssecretaris legt dit begrip zo uit, dat sprake moet zijn van een figuratieve gebrandschilderde voorstelling, waarin de hand van de kunstenaar herkenbaar is. Ter zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat ervoor is gekozen alleen dit type ramen te beschermen, omdat de andere typen glas-in-loodramen niet door kunstenaars, maar door ambachtsmannen zijn vervaardigd op basis van de ontwerpen van kunstenaars en dat deze typen ramen ook door een ambachtsman nagemaakt kunnen worden indien ze beschadigd raken. Ook het grisailleglas kan volgens de staatssecretaris aldus vervangen worden en verdient daarom geen bijzondere behandeling.

Deze door de staatssecretaris gegeven uitleg van het begrip 'bijzonder ontworpen glas-in-lood-ramen' gaat de grenzen van een redelijke uitleg niet te buiten. De rechtbank is dan ook terecht tot dit oordeel gekomen. Het betoog van de stichting dat voormelde interpretatie niet is af te leiden uit de toepasselijke regelgeving faalt.

2.3.2. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel wordt als volgt overwogen. Vast staat dat het plaatsen van voorzetbeglazing bij de Sint-Vituskerk is gesubsidieerd op grond van een oudere subsidieregeling, het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm 1997). Onder deze regeling kwam het plaatsen van voorzetbeglazing voor subsidie in aanmerking als vensters 'authentiek' waren. Het criterium 'authentiek' is in 2004 komen te vervallen, aldus de staatssecretaris. Sindsdien komt het plaatsen van voorzetbeglazing alleen voor subsidiëring in aanmerking als het gaat om 'bijzonder ontworpen glas-in-loodramen', welk begrip als hierboven weergegeven wordt uitgelegd. Het criterium zoals gehanteerd onder de thans geldende regeling is strikter en verschilt daarmee wezenlijk van het criterium zoals gehanteerd onder de oudere regeling. Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen.

Het beroep van de stichting op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.4. De stichting betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reiniging van het interieur, afgezien van de 5% die subsidiabel is gesteld, technisch noodzakelijk is en dat de staatssecretaris daarom in redelijkheid op grond van de afwezigheid van een technische noodzaak heeft kunnen weigeren subsidie daarvoor te verlenen. De stichting voert hiertoe aan dat het interieur van de Sint Bavo zwaar vervuild is geraakt als gevolg van roet van kaarsen en het gebruik van wierook en dat hierdoor de baksteen nauwelijks nog vocht kan opnemen. Door de baksteen te reinigen met pasta worden de poriën van de steen weer geopend.

Verder voert de stichting in dit verband aan dat door de vervuiling van het interieur van de Sint Bavo de beoogde architectonische uitstraling van de kathedraal is verdwenen. De reiniging van het interieur van de Sint-Vituskerk is eerder vanwege het herstel van de architectonische waarde ook gesubsidieerd en het niet subsidiëren van de reiniging van de Sint Bavo is daarom strijdig met het gelijkheidsbeginsel, aldus de stichting.

2.4.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rerrm 2009 zijn kosten uitsluitend subsidiabel voor zover de werkzaamheden technisch noodzakelijk zijn. In dit kader voert de stichting aan dat de baksteen nauwelijks nog vocht kan opnemen. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat de roetaanslag gevolgen heeft voor de kwaliteit van de baksteen en evenmin staat vast dat het slecht is voor de baksteen dat deze nauwelijks nog water opneemt, zoals de staatssecretaris terecht stelt.

Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reiniging van het interieur technisch noodzakelijk is faalt.

2.4.2. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel wordt als volgt overwogen. De voor de reiniging van de Sint-Vituskerk eerder verleende subsidie was gebaseerd op het Brrm 1997, dat niet de voorwaarde van technische noodzakelijkheid stelde. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen. De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat destijds slechts de reiniging van een klein gedeelte van het interieur van de Sint-Vituskerk is gesubsidieerd, vanwege buitensporige vervuiling. Wat de stichting met betrekking tot de architectonische waarde van het interieur van de Sint Bavo aanvoert, wat hiervan ook zij, doet niet ter zake, nu ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rerrm 2009 kosten uitsluitend subsidiabel zijn voor zover de werkzaamheden technisch noodzakelijk zijn.

Het beroep van de stichting op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Bindels

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

47-735.