Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201108693/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkens- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Ospel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5198

Uitspraak

201108693/1/A4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ospel, gemeente Nederweert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkens- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Ospel.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2012, waar het college, vertegenwoordigd door S.G.T. Jacobs en T.G.W. Kierkels, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Voor de inrichting is op 10 november 1992 een revisievergunning verleend en op 19 februari 2001 is een melding ingevolge artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geaccepteerd. Het verzoek om verlening van een revisievergunning heeft betrekking op het uitbreiden van de inrichting met een nieuwe stal voor 1.188 vleesvarkens, welke wordt aangesloten op gecombineerde luchtwassers, het uitbreiden met 37 vleesvarkens in stal 2, het aansluiten van stal 2 op een gecombineerde luchtwasser en het realiseren van een stal tussen stal 1 en 2 voor het huisvesten van 38 stuks overig rundvee.

2.3. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 8.11, derde lid, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken.

2.4. Uit artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Hierbij komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te verwachten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving met weinig verkeer. In hoofdstuk 4 van de Handreiking is voor een dergelijke omgeving voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) een richtwaarde opgenomen van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode. Ingevolge de Handreiking mag het maximale geluidniveau (LAmax) bij voorkeur niet groter zijn dan 10 dB(A) boven de richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Indien redelijkerwijs geen maatregelen kunnen worden getroffen, mag echter een maximaal geluidniveau van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode worden toegestaan.

Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid op grond van het 12 dagen-criterium - ook wel incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie genoemd - maximaal twaalf maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden. Daarnaast geeft deze paragraaf de mogelijkheid om voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie met een beperkte frequentie, maar vaker dan twaalf maal per jaar, met een bestuurlijke afweging een grotere geluidemissie toe te staan dan de geluidbelasting die optreedt in de representatieve bedrijfssituatie.

2.6. In de representatieve bedrijfssituatie is volgens het akoestisch rapport van Sain milieuadvies van 30 november 2010, dat deel uitmaakt van de aanvraag, rekening gehouden met het vullen van voedersilo's, de ventilatie van stallen, het laden van vleesvarkens in de dagperiode, het voeren van rundvee en transportbewegingen. In de incidentele bedrijfssituatie is daarnaast, zo volgt uit het akoestisch rapport, rekening gehouden met het maximaal twaalf maal per jaar afvoeren van (drijf)mest met een tractor of vrachtwagen in de dagperiode. De regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie wordt volgens het akoestisch rapport gevormd door het eenmaal per week laden van varkens in de nachtperiode.

2.7. Uit de in het akoestisch rapport opgenomen geluidberekeningen blijkt dat de maximale geluidswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden bij de woningen [locatie 2] en [locatie 3]. Dit is volgens het rapport het gevolg van het laden van de varkens in de nachtperiode. Op grond van paragraaf 5.3 van de Handreiking mogen deze activiteiten worden uitgezonderd van de normstelling voor het Lamax in de nachtperiode tot een maximum van 65 dB(A). Op grond van de Handreiking heeft het college daartoe een voorschrift aan de vergunning verbonden, zijnde voorschrift 11.4.2.

Dit voorschrift is opgenomen onder paragraaf 11.4 incidentele situaties en luidt als volgt:

"In afwijking van het gestelde van wat is gesteld in voorschrift 11.2.2 mag het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door het laden van mest niet meer bedragen dan:

- 64 dB(A) op de woning aan de [locatie 2] in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00;

- 62 dB(A) op de woning aan de [locatie 3] in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.8. [appellant] betoogt dat het besluit van 16 juni 2011 in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen. Hij voert hiertoe aan dat de bedrijfssituatie vermeld in voorschrift 11.4.2 geen incidentele, maar regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie vormt.

2.8.1. Het college heeft toegelicht dat het met voorschrift 11.4.2 beoogd heeft de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie, bestaande uit het eenmaal per week laden van varkens in de nachtperiode, toe te staan en dat dit voorschrift ten onrechte is opgenomen onder de incidentele situaties en eveneens ten onrechte het laden van mest als activiteit vermeldt. Gelet hierop is het besluit van 16 juni 2011 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.9. [appellant] betoogt voorts dat het college de revisievergunning op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer had moeten weigeren. Hiertoe voert hij aan dat de in voorschrift 11.4.2 toegestane maximale geluidgrenswaarden (LAmax) in de nachtperiode op de woningen [locatie 2] en [locatie 3] te hoog zijn. Volgens [appellant] is onvoldoende gemotiveerd waarom voor die woningen een hogere waarde is vastgesteld dan de voorgeschreven maximale geluidgrenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode en heeft het college daarbij niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om maatregelen te treffen om het geluid van het laden van varkens in die periode te voorkomen dan wel te beperken. Tenslotte voert [appellant] in dit verband aan dat de geluidgrenswaarden in vergunningvoorschrift 11.4.2 niet kunnen worden nageleefd.

2.9.1. Volgens het akoestisch rapport kan het laden van varkens niet uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden, omdat dit afhangt van de planning van de slachterij en vergunninghouder daarop geen invloed heeft. Het college heeft toegelicht dat wekelijks ongeveer 135 varkens worden afgevoerd met twee vrachtwagencombinaties en dat die volgeladen naar het slachthuis willen rijden en daarom ook langs andere varkenshouderijen gaan. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat organisatorische maatregelen voor het voorkomen dan wel beperken van geluidhinder ten gevolge van het laden van varkens in de nachtperiode niet mogelijk zijn. Het college heeft verder gesteld dat technische maatregelen evenmin mogelijk zijn. Het bestemmingsplan staat slechts de oprichting van een scherm met een hoogte van één meter toe. Het college is niet bereid ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen om realisering van een hoger geluidsscherm toch mogelijk te maken. Daartoe heeft het college uitgelegd dat niet wordt voldaan aan de in artikel 3.4.2 van de planvoorschriften voor het verlenen van ontheffing opgenomen vereisten, dat het bouwpan waarvoor ontheffing benodigd is past in het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid is gewaarborgd. Wat betreft de verkeersveiligheid is in het akoestisch rapport nog vermeld dat de manoeuvreerruimte op het perceel en het uitzicht op de openbare weg door een geluidsscherm worden beperkt.

2.9.2. Gelet op de door het college gegeven motivering, heeft het zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie noodzakelijk is, dat het treffen van geluidreducerende maatregelen niet mogelijk is en dat de in voorschrift 11.4.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor de woningen [locatie 2] en [locatie 3] toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Wat betreft de stelling van [appellant] dat die geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn, geldt dat hij niet heeft gemotiveerd waarom dat zo zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 16 juni 2011 dient te worden vernietigd, voor zover in voorschrift 11.4.2 het laden van mest als de incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie is vermeld. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.11. Het college dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond, voor zover in voorschrift 11.4.2 het laden van mest als incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie is vermeld;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert van 16 juni 2011 in zoverre;

III. bepaalt dat voorschrift 11.4.2 wordt vervangen door een nieuw voorschrift 11.3.3, dat wordt opgenomen onder de regelmatige afwijking op de representatieve bedrijfssituatie en als volgt luidt:

"In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 11.2.2. mag het maximale geluidniveau LAmax veroorzaakt door het laden van varkens eenmaal per week niet meer bedragen dan:

- 64 dB(A) op de woning aan de [locatie 2] in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00;

- 62 dB(A) op de woning aan de [locatie 3] in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 16 juni 2011;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nederweert tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nederweert aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

552.