Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201111665/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het college aan Woonstichting Stromenland, thans Woonstichting Leystromen, (hierna: de Woonstichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van vijf woonhuizen op het perceel Bolakker 6 tot en met 14 te Hilvarenbeek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111665/1/A1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Hilvarenbeek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/2846 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het college aan Woonstichting Stromenland, thans Woonstichting Leystromen, (hierna: de Woonstichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van vijf woonhuizen op het perceel Bolakker 6 tot en met 14 te Hilvarenbeek.

Bij besluit van 21 april 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Morel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de Woonstichting, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, geschiedt de mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:7, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, is, bij verzending per post, een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11, voor zover hier van belang, blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn bezwaar tegen het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning van 18 november 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat niet van hem kon worden verlangd zelf na te gaan of de door de Woonstichting aangevraagde bouwvergunning was verleend, dat het besluit niet elektronisch ter inzage heeft gelegen en dat de gebruikelijke publicatie in het huis-aan-huisblad en op de website van de gemeente achterwege is gebleven.

2.2.1. Vaststaat dat uitsluitend de voor het bouwplan verleende vrijstelling is voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen openbare voorbereidingsprocedure. Voor de verleende bouwvergunning is deze procedure niet gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200703198/1) is, gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, ook indien de vrijstelling is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, de vrijstelling mede onderwerp van het bezwaar tegen de bouwvergunning, die niet met toepassing van die procedure is voorbereid. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat voor de mogelijkheid tot het maken van bezwaar de procedure ten aanzien van de bouwvergunning leidend is. Dit betekent dat voor het begin van de bezwaartermijn bepalend is de bekendmaking van de met vrijstelling verleende bouwvergunning.

2.2.2. De met vrijstelling verleende bouwvergunning is op 24 november 2009 door toezending aan de Woonstichting overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen op 25 november 2009 en, gelet op artikel 6:7 van de Awb, geëindigd op 5 januari 2010. Vaststaat dat het bezwaarschrift door [appellant] op 25 november 2010 door het college is ontvangen, en derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, buiten de in artikel 6:7 van de Awb vermelde termijn.

2.2.3. [appellant] heeft, naar niet in geschil is, een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerp van de vrijstelling. Vaststaat dat het college in strijd met de artikelen 3:43, eerste lid en 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb [appellant] niet een exemplaar van het besluit van 18 november 2009 heeft toegezonden. Daarbij komt dat het besluit van 18 november 2009, anders dan in de gemeente Hilvarenbeek gebruikelijk is, niet is gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, onder deze omstandigheden, [appellant] niet kan worden verweten dat hij te lang heeft gewacht met het inwinnen van informatie over de definitieve besluitvorming. Van hem kon niet worden verwacht dat hij bij de gemeente navraag zou doen omtrent de status van de bouwaanvraag.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juni 2006 in zaak nr. 200600051/1) dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager die van het verlenen van een vergunning waarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, niet schriftelijk op de hoogte is gesteld, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt of had kunnen raken, zijn bezwaren kenbaar te maken. [appellant] heeft, zodra hem bekend was dat de grond waarop de woningen waren voorzien, tezamen met de bouwvergunning was verkocht, bij de gemeente om een toelichting gevraagd. Toen hij hoorde dat de bouwvergunning al was verleend, heeft hij zijn bezwaren daartegen binnen twee weken alsnog kenbaar gemaakt.

De overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is dan ook verschoonbaar. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Het betoog slaagt. Hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert behoeft geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 april 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 6:11 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/2846;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 21 april 2011, kenmerk 11uit01894;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 61,16 (zegge: eenenzestig euro en zestien eurocent), bestaande uit verletkosten en de reiskosten van het in persoon ter zitting verschijnen;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

407-724.