Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201206271/1/A3 en 201206271/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, de op een bij het besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening aangegeven locatie gelegen aan de Jacob Catsstraat te Terneuzen aangewezen als hondenuitlaatterrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201206271/1/A3 en 201206271/2/A3.

Datum uitspraak: 9 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Terneuzen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 10 mei 2012 in zaak nr. 11/6088 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, de op een bij het besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening aangegeven locatie gelegen aan de Jacob Catsstraat te Terneuzen aangewezen als hondenuitlaatterrein.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2012, verzonden op 14 mei 2012, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 juli 2012.

Bij eerstgenoemde brief heeft [appellant] de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2012, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door E.J. van der Hooft en S.W.A. Strooband, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. In hetgeen [appellant] in zijn schrijven van 3 augustus 2012 heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor een ander oordeel.

2.2. Ingevolge artikel 2:57, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Terneuzen 2009 (hierna: de APV Terneuzen 2009) is het de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats.

Ingevolge het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, niet geldt.

Ingevolge het derde lid gelden de verboden genoemd in het eerste lid onder a en b niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

2.3. Het college heeft het standpunt ingenomen dat [appellant] niet zo zeer in zijn belangen wordt getroffen dat deze dienen te prevaleren boven het algemeen belang dat met het realiseren van het zogenoemde hondenuitlaatterrein wordt gediend. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de locatie in feite al gebruikt werd als hondenuitlaatterrein en dat het besluit van 12 augustus 2010 ertoe leidt dat de locatie, anders dan voorheen het geval was, ook als zodanig wordt ingericht en regelmatig wordt schoongemaakt. Daarnaast acht het college van belang dat op andere locaties in de gemeente verscheidene speelgelegenheden voor kinderen zijn ingericht.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het enkele feit dat het college niet in overleg is getreden met [appellant] en zijn buren over de aanwijzing niet maakt dat het bij haar bestreden besluit is genomen zonder de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Zij heeft in dat kader van belang geacht dat het college de aanwijzing wel heeft besproken met de betrokken wijkraad, waarvan mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van de verschillende belangen die spelen in de wijk, en deze wijkraad met het voorstel heeft ingestemd. Voorts acht de rechtbank de door het college gemaakte belangenafweging, zoals hiervoor onder 2.3. weergegeven, niet onredelijk, zodat het college naar haar oordeel in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bedoelde locatie aan te wijzen als hondenuitlaatterrein.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college zonder de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen is overgegaan tot aanwijzing van de locatie als hondenuitlaatterrein. Niet is aan de hand van kwantitatieve gegevens aangetoond dat het hondenuitlaatterrein voorheen ook als zodanig werd gebruikt. [appellant] betwist verder dat de wijkraad op de hoogte is van de verschillende belangen die spelen in de wijk. Volgens [appellant] is er onder omwonenden namelijk geen draagvlak voor de aangewezen locatie als hondenuitlaatterrein, maar wel voor de door de omwonenden aangedragen alternatieve locatie. Hij bestrijdt ten slotte het oordeel van de rechtbank dat de door het college gemaakte belangenafweging niet onredelijk is en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bedoelde locatie aan te wijzen als hondenuitlaatterrein.

2.6. Het betoog faalt. De rechtbank heeft in het door [appellant] in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het besluit van 16 december 2010 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het college heeft zich voldoende rekenschap gegeven van de relevante feiten en af te wegen belangen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, het door [appellant] aangedragen alternatieve voorstel ook bij de besluitvorming is betrokken. Dat het college zijn standpunt dat het hondenuitlaatterrein voorheen ook als zodanig werd gebruikt niet op basis van tellingen heeft gemotiveerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Bij een besluit tot aanwijzing van een hondenuitlaatterrein komt aan het college beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toets beperkt zich in deze zaak tot de vraag of het college in redelijkheid de bedoelde locatie als hondenuitlaatterrein heeft kunnen aanwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit de rechterlijke toets doorstaat.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012

195-597.