Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201109220/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beroepsgronden treffen geen doel. Dat laat onverlet dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling overweegt hiertoe ambtshalve als volgt.

De Rb. heeft geoordeeld dat het college bij beslissing op bezwaar in strijd met art. 3:2 en art. 7:12 lid 1 Awb de weigering om uitwegvergunning te verlenen mede op art. 2:12 lid 2, aanhef en onder b, van de APV heeft gebaseerd. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden. Derhalve moet als vaststaand worden aangenomen dat de beslissing op bezwaar op een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering berust. Nu dat besluit één beslissing behelst, te weten handhaving van de weigering om aan appellant uitwegvergunning te verlenen, brengt dit met zich dat de Rb. het besluit in zijn geheel had moeten vernietigen. De Afdeling merkt daarbij op dat de overwegingen waarop een besluit is gebaseerd op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven roepen en om die reden niet voor vernietiging in aanmerking kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109220/1/A3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/1109 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een vergunning te verlenen voor het aanleggen van een uitweg naar de Van Eesterenstraat ten behoeve van het perceel [locatie] te Utrecht.

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op 19 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, wat betreft het gedeelte waar in bezwaar wordt gehandhaafd dat de gevraagde uitwegvergunning moet worden geweigerd in het belang van het doelmatig en veilig gebruik van de weg, en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Bouma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) mag de bestuurder zijn voertuig niet voor een inrit of een uitrit parkeren.

Ingevolge artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (hierna: APV), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg naar de weg te maken.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan een vergunning worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. (…) vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.2. [appellant] heeft de vergunning voor de aanleg van een uitweg aangevraagd om op eigen terrein een parkeerplaats te realiseren en een berging op het perceel te ontsluiten.

Het college heeft zich in het besluit op bezwaar, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat door de uitweg de bruikbaarheid van de weg nadelig zal worden beïnvloed. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Commissie voor Aanbeveling Gebruik Openbare weg (hierna: CAGO) negatief heeft geadviseerd over de vergunningaanvraag, omdat door de uitweg een openbare parkeerplaats komt te vervallen. Het college heeft voorts het Projectbureau Leidsche Rijn om informatie over de parkeerdruk in de wijk gevraagd en hierop een zogeheten parkeerbalans ontvangen. Daaruit blijkt dat in de directe woonomgeving van het betrokken perceel een overschot van acht parkeerplaatsen is. In de parkeerbalans is echter het nabijgelegen appartementencomplex De Zilveren Zwaan niet meegenomen. Voor dat complex bestaat behoefte aan veertien parkeerplaatsen, terwijl het op het eigen terrein over vier parkeerplaatsen beschikt. Daarom zijn nog tien parkeerplaatsen in de wijk nodig om in de benodigde parkeergelegenheid te voorzien en is er een tekort van twee parkeerplaatsen, aldus het college.

Voorts is de gevraagde vergunning, voor zover thans van belang, geweigerd, omdat de gewenste uitweg er onder meer toe dient om in de tuin van het perceel te kunnen parkeren en dat volgens het college het uiterlijk aanzien van de omgeving zal aantasten. Het college heeft in dit verband gewezen op het ter plaatse geldende inrichtingsplan. Het heeft het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Daartoe heeft het gesteld dat het inrichtingsplan nog niet gold toen een vergunning werd verleend voor een uitweg ten behoeve van het nabijgelegen perceel Aldo van Eyckplantsoen 63. De andere door [appellant] genoemde gevallen waarin een uitwegvergunning is verleend, zijn evenmin vergelijkbaar, omdat die percelen zich in andere wijken dan zijn perceel bevinden, aldus het college.

2.3. [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de gevraagde uitwegvergunning het belang van de bruikbaarheid van de weg wordt geraakt. Hij voert daartoe aan dat volgens de parkeerbalans in Leidsche Rijn een overschot van 34 parkeerplaatsen en in zijn woonblok een surplus van zeven parkeerplaatsen is en dat ook uit de door hem overgelegde foto's blijkt dat de parkeercapaciteit ruim voldoende is. Bij het appartementencomplex De Zilveren Zwaan zijn de bezoekersparkeerplaatsen vrijwel altijd onbezet. De bewoners van dit complex beschikken over ondergrondse parkeergelegenheid. Voorts wordt volgens [appellant] met de door hem gewenste uitweg de parkeercapaciteit vergroot, dan wel blijft deze in ieder geval gelijk.

2.3.1. Het college heeft in het verweerschrift uiteengezet dat de parkeerbalans is opgesteld met behulp van de landelijke normen van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW. Op grond van deze normen is er, met meetelling van de ondergrondse parkeergelegenheid in het appartementencomplex De Zilveren Zwaan, een tekort van twee parkeerplaatsen in de directe woonomgeving van het perceel van [appellant]. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van belang is wat de parkeergelegenheid is in deze woonomgeving en niet in het hele stadsdeel Leidsche Rijn, omdat in het algemeen op loopafstand van woningen wordt geparkeerd. Het heeft voorts onbestreden gesteld dat in andere delen van Leidsche Rijn is gebleken dat na de totstandkoming van de woonwijken de parkeerdruk kan toenemen en dat zelfs extra parkeergelegenheid moet worden gecreëerd om die druk te verminderen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het daarom niet wenselijk is dat ten behoeve van een privéparkeerplaats ten minste één openbare parkeerplaats komt te vervallen. De stelling van [appellant] dat de uitweg ten behoeve van zijn perceel juist parkeercapaciteit oplevert, is onjuist. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 is het niet toegestaan om voor een uitweg te parkeren.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat thans met regelmaat voldoende openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn, geen reden kan zijn om één van deze parkeerplaatsen op te offeren voor een eigen parkeerplaats voor [appellant]. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college het gebruik van een parkeerplaats op privéterrein, anders dan een openbare parkeerplaats, niet kan beïnvloeden of sturen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college het algemeen belang bij behoud van voldoende openbare parkeercapaciteit in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van [appellant] bij de uitweg.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat met de door hem gewenste uitweg het uiterlijk aanzien van de omgeving niet wordt geschaad. Hij stelt dat een op zijn perceel geparkeerde auto slechts door passanten vanuit een bepaalde richting opgemerkt kan worden. Het uitwerkingsplan Het Zand - De Bongerd, dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan Leidsche Rijn Utrecht 1999, voorziet in de mogelijkheid van parkeren op eigen terrein. Dat niet direct bij de bouw van de woning voor aanleg van een parkeerplaats op het perceel is gekozen, doet daaraan niet af. Deze in het bestemmingsplan toegestane mogelijkheid mag niet door het inrichtingsplan beperkt worden. Bovendien mag op grond van het bestemmingsplan de zijgevel van de woning worden uitgebouwd. Gelet hierop moet een parkeerplaats op het perceel eveneens worden toegestaan, aldus [appellant].

Hij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Daartoe verwijst hij naar verleende uitwegvergunningen ten behoeve van andere percelen in Leidsche Rijn, te weten Aldo van Eyckplantsoen 63, Max Ernstlaan 10, 16 en 20, Luwte 31, Molenrakhof 6, Robert Planquettelaan 15, Emmerich Kalmanlaan kavel 11 en 't Zand 2a en 26.

2.4.1. Het college heeft in het verweerschrift met juistheid gesteld dat artikel 2:12, tweede lid, van de APV, naast strijd met het bestemmingsplan ook andere gronden bevat om een uitwegvergunning te weigeren. Dat het uitwerkingsplan niet aan de realisering van een uitrit in de weg staat, leidt dan ook niet tot de conclusie dat het college de gevraagde vergunning reeds daarom had moeten verlenen.

Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat in het inrichtingsplan van de wijk omwille van het aanzien van de omgeving ervoor is gekozen het parkeren in de parkeerhoven en op de openbare parkeerplaatsen te laten plaatsvinden. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien om het daarmee verband houdende beleid van het college om parkeren alleen op die parkeergelegenheden en niet op eigen percelen toe te staan kennelijk onjuist of onredelijk te achten of voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving in dit geval aan de orde is. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stelling van [appellant], dat een geparkeerde auto op zijn perceel niet duidelijk zichtbaar is, niet aan het vorenstaande afdoet, omdat die auto in ieder geval gedeeltelijk zichtbaar is op een plaats waar het college geen auto geparkeerd wil zien.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet onevenredig wordt benadeeld doordat hem de gevraagde uitwegvergunning niet wordt verleend. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de wens van [appellant] om een parkeerplaats op eigen terrein te hebben onverlet laat dat er voldoende mogelijkheid is om in de directe nabijheid van de woning op een openbare parkeerplaats te parkeren en dat hij ook in de parkeerhof achter de woning kan parkeren. Evenzeer met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het ontsluiten van een berging via een uitweg niet gebruikelijk is en dat van een bijzondere noodzaak hiervoor niet is gebleken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college daarom in redelijkheid het belang, bedoeld in artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij de uitweg.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft nagelaten bij de belangenafweging te betrekken dat door een parkeerplaats op eigen terrein de marktwaarde van de woning wordt verhoogd, mist feitelijke grondslag, nu dit eerst in hoger beroep naar voren is gebracht.

2.4.2. [appellant] betoogt met juistheid dat het college ten onrechte heeft gesteld dat op het moment dat het vergunning heeft verleend voor de aanleg van een uitweg ten behoeve van het perceel Aldo van Eyckplantsoen 63 het inrichtingsplan nog niet van kracht was. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college zich reeds om die reden terecht op het standpunt heeft gesteld dat dat geval en dat van [appellant] niet gelijk zijn.

In het verweerschrift en ter zitting bij de Afdeling heeft het college uiteengezet dat bij toetsing aan het inrichtingsplan een vergunning voor die uitweg evenzeer geweigerd had moeten worden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het gelijkheidsbeginsel er niet toe noopt dat, voor zover ten onrechte een vergunning is verleend, het bestuursorgaan gehouden is deze fout te herhalen, leidt dit betoog niet tot het ermee beoogde doel.

2.4.3. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college, onder verwijzing naar het overgelegde inrichtingsplan, onweersproken gesteld dat de overige door [appellant] genoemde percelen ten behoeve waarvan een uitwegvergunning is verleend zich in andere wijken van Leidsche Rijn bevinden, waar dit inrichtingsplan niet geldt en deze gevallen daarom niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval. Het door [appellant] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen.

2.5. Het voorgaande laat onverlet dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling overweegt hiertoe ambtshalve als volgt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bij het besluit van 24 februari 2011 in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de weigering om uitwegvergunning te verlenen mede op artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV heeft gebaseerd. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden. Derhalve moet als vaststaand worden aangenomen dat het besluit van 24 februari 2011 op een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering berust. Nu dat besluit één beslissing behelst, te weten handhaving van de weigering om aan [appellant] uitwegvergunning te verlenen, brengt dit met zich dat de rechtbank het besluit in zijn geheel had moeten vernietigen. De Afdeling merkt daarbij op dat de overwegingen waarop een besluit is gebaseerd op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven roepen en om die reden niet voor vernietiging in aanmerking kunnen komen.

Hoewel het besluit van 24 februari 2011 voor vernietiging in aanmerking komt, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. Daartoe wordt overwogen dat het college, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1 en 2.4.1 tot en met 2.4.3 is overwogen, op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de APV de verlening van een uitwegvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 24 februari 2011 deels heeft vernietigd en heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 februari 2011 geheel vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/1109, voor zover daarbij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 24 februari 2011, kenmerk b11.0022, deels is vernietigd en is bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats van dat besluit treedt;

III. vernietigt dat besluit in zijn geheel;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

582-598.