Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201110593/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen van een schuur/werkruimte/houtopslag op het perceel [locatie] te Oost- West- en Middelbeers (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110593/1/A1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Oost- West- en Middelbeers, gemeente Oirschot,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 augustus 2011 in zaak nr. 10/3973 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen van een schuur/werkruimte/houtopslag op het perceel [locatie] te Oost- West- en Middelbeers (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het besluit van 13 oktober 2009 ingetrokken en opnieuw geweigerd aan [appellant] een bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen van een schuur/werkruimte/houtopslag op het perceel.

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2011, verzonden op 24 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2012, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. T.A.M. van Oosterhout, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door J. Klinkenberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan strekt tot de herbouw van een schuur die door stormen in november 2006 en januari 2007 is verwoest. De reeds gerealiseerde schuur heeft een oppervlakte van ongeveer 124 m².

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2003" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 9.2.3. van de planvoorschriften mag de oppervlakte van het bebouwde oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning maximaal 80 m² bedragen.

Ingevolge artikel 32, onderdeel a, derde lid, van de planvoorschriften mogen, voor zover thans van belang, bouwwerken die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan en die afwijken van het plan na calamiteit worden herbouwd, mits de bouwaanvraag binnen twee jaar na de calamiteit is ingediend.

2.3. De gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen op het perceel is in de bestaande situatie reeds groter dan 80 m². Het bouwplan is daarom in strijd met artikel 9.2.3. van de planvoorschriften.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan onder het in artikel 32, onderdeel a, derde lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht kan worden gebracht. Hij voert daartoe aan dat hij binnen twee jaar nadat de schuur door stormen is verwoest, een vergunningaanvraag bij het college heeft ingediend voor de herbouw daarvan.

2.4.1. Niet in geschil is dat [appellant], om een geslaagd beroep te kunnen doen op de calamiteitenregeling als neergelegd in artikel 32, onderdeel a, derde lid, van de planvoorschriften, vóór januari 2009 een aanvraag voor de herbouw van de schuur bij het college had moeten indienen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] binnen deze termijn geen ontvankelijke bouwvergunningaanvraag bij het college heeft ingediend. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de door [appellant] ingediende aanvraag om bouwvergunning van 4 september 2008 bij besluit van 22 oktober 2008 buiten behandeling is gesteld. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat het college van de rechtmatigheid daarvan diende uit te gaan. De stelling van [appellant], dat hij bij brief van 24 november 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit maar het college dat bezwaar niet conform de Algemene wet bestuursrecht heeft afgehandeld, leidt, wat van de juistheid van deze stelling zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat de rechtmatigheid van het besluit van 22 oktober 2008 in deze procedure niet wordt getoetst. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in artikel 32, onderdeel a, derde lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht geen rechtsgrond geeft voor het verlenen van bouwvergunning voor het bouwplan.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in redelijkheid geen ontheffing voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Hij voert daartoe aan dat het college de weigering ten onrechte heeft gebaseerd op het recent vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2010", nu bij de vaststelling van dat bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de door hem ingediende zienswijze en dat dit bestemmingsplan tal van onvolkomenheden bevat. Verder voert hij aan dat het college, onder meer bij brief van 18 februari 2009, bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat indien hij voor 1 april 2009 een bouwvergunningaanvraag zou indienen die voldeed aan de calamiteitenregeling als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, derde lid, van de planvoorschriften, onverminderd het vereiste dat de bouwaanvraag binnen twee jaar na de calamiteit moet zijn ingediend, het college ontheffing zou verlenen van het bestemmingsplan.

Voorts voert hij aan dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.5.1. Het college heeft de gevraagde ontheffing geweigerd, aangezien het bouwplan in strijd is met het bij besluit van 29 september 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Volgens het college is ingevolge dat bestemmingsplan op het perceel ten hoogste 120 m² aan bijgebouwen toegestaan en wordt deze oppervlakte in de bestaande situatie reeds overschreden. De rechtbank heeft dit standpunt van het college terecht niet onredelijk geacht. Dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" geen rekening is gehouden met de door [appellant] ingediende zienswijze en dat dit bestemmingsplan tal van onvolkomenheden bevat en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, leidt, wat er van de juistheid van deze stellingen zij, niet tot een ander oordeel, reeds nu de rechtmatigheid van het vaststellingsbesluit van dat bestemmingsplan in deze procedure niet ter beoordeling voorligt en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een toepasselijk voorschrift van dat bestemmingsplan evident in strijd is met de Wet ruimtelijke ordening.

2.5.2. Verder heeft de rechtbank het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel terecht verworpen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak 201009749/1/H1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan een rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend. Uit de brief van 18 februari 2009 kan niet worden afgeleid dat het college de door [appellant] gestelde toezegging heeft gedaan.

Ook de door [appellant] gestelde omstandigheid dat het college nog niet handhavend heeft opgetreden tegen de reeds herbouwde schuur als voorzien in het bouwplan, heeft de rechtbank met juistheid niet als een toezegging aangemerkt.

2.5.3. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze grond heeft [appellant] niet in beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] zulks uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.5.4. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de gevraagde ontheffing in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de hogerberoepsgrond van [appellant], dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat hij bereid is het bouwplan aan te passen naar aanleiding van de negatieve welstandsadviezen van de welstandscommissie "Welstandszorg Noord-Brabant".

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

543.