Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201109747/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dalerend 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109747/1/R4.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dalerend 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door F. Bertink, is verschenen.

Voorts is daar als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actualisatie van de planologische regeling voor het buurtschap Dalerend en is overwegend conserverend van aard.

Provinciaal beleid

2.2. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het provinciaal omgevingsplan, omdat in het buitengebied uitbreiding van niet-argrarische bedrijven in beginsel niet is toegestaan.

2.2.1. Anders dan [appellant] en anderen kennelijk menen was de raad niet zonder meer gebonden aan het provinciale beleid neergelegd in het provinciale omgevingsplan. Wel diende de raad bij de vaststelling van het plan rekening te houden met het provinciale beleid op dit punt. De raad heeft het provinciale beleid in de besluitvorming betrokken. Dit volgt reeds uit het feit dat tussen het gemeentebestuur en het provinciaal bestuur overleg heeft plaatsgevonden over het plan. Het college van gedeputeerde staten heeft te kennen gegeven dat geen provinciaal belang in het plan aan de orde is. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening heeft gehouden met het provinciale beleid.

Woon- en leefklimaat

2.3. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin is voorzien in een uitbreiding van het garagebedrijf op het perceel aan de [locatie 1] (hierna: het perceel) te Nieuwlande met 532 m². De mogelijke vergroting van het aldaar gevestigde garagebedrijf zal namelijk nadelige gevolgen hebben voor hun woongenot. Daartoe voeren zij aan dat het plan zal leiden tot minder zoninval op de percelen van omwonenden en tot vermindering van het uitzicht van omwonenden. Hun privacy wordt hierdoor eveneens aangetast, aldus [appellant] en anderen.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat de bouwmogelijkheden op het perceel met zich brengen dat sprake is van een dusdanige uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten dat [appellant] en anderen ten gevolge daarvan milieuhinder zullen ondervinden. De raad heeft deze milieuaspecten ten onrechte niet meegewogen bij de vaststelling van het plan. Het voorgaande betekent volgens hen dat ter plaatse geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

2.3.1. Aan het perceel aan de [locatie 1] is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, sub a, van de planregels, mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, sub b, mogen de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen, voor zover de bouwaanduiding sba-1 van toepassing is, 6 m zijn. Voor zover de bouwaanduiding sba-2 van toepassing is, is de toegestane maximale goothoogte van een hoofdgebouw 3,5 m en de toegestane maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw is 8,5 m.

2.3.2. De raad stelt dat het plan ten opzichte van het vorige plan voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van ongeveer 1030 m² naar ongeveer 1100 m². De positie van het bouwvlak op het perceel is grotendeels gelijk gebleven, met dien verstande dat het bouwvlak aan de voorzijde is verbreed, wat met zich brengt dat de afstand tot de perceelgrens tussen [locatie 1] en [locatie 3] is verkleind van 14 m naar 11,5 m. Ten opzichte van het vorige plan is de maximale toegestane goothoogte gelijk gebleven en is de maximale toegestane bouwhoogte verhoogd van 8 m naar 8,5 m, aldus de raad.

Gelet op de verbeelding in samenhang bezien met voormelde planregels komt hetgeen de raad stelt de Afdeling niet onjuist voor.

2.3.3. Met betrekking tot de aantasting van privacy, overweegt de Afdeling dat, gezien de aard van de voorziene vergroting van bouwhoogte en bouwmassa in relatie tot de naastgelegen woning aan de [locatie 1] geen sprake is van een dusdanige aantasting van de privacy dat de raad hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.3.4. Naar de mogelijke schaduwhinder door de voorziene uitbreiding is een bezonningsstudie verricht door de raad, waaruit volgt dat de verbreding van het bouwvlak met name aan de voorzijde van het perceel aan de [locatie 2] ten opzichte van het vorige plan leidt tot een langere slagschaduw. [appellant] en anderen hebben de gehanteerde uitgangspunten en resultaten van deze studie niet betwist. Gelet op de resultaten van de bezonningstudie en daarbij in aanmerking genomen de schaduwwerking van de reeds bestaande bebouwing heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

2.3.5. De raad heeft wat betreft de milieuaspecten de bestaande situatie in aanmerking genomen. Bij de vaststelling van het vorige plan zijn deze meegewogen en is gebleken dat het plan in zoverre geen onevenredige overlast voor omwonenden met zich zal brengen. Dit komt de Afdeling, gezien de stukken, niet onjuist voor.

Gelet op het kleinschalige karakter van het bedrijf, de omvang van de uitbreiding en, nu moet worden voldaan aan de eisen die zijn gesteld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het woon- en leefklimaat ten gevolge van het voorliggende plan dermate wordt aangetast dat de raad aan het belang van [appellant] en anderen meer gewicht had moeten toekennen dan aan het belang bij de realisering van de uitbreiding.

Stedenbouw en welstand

2.4. [appellant] en anderen betogen dat het plan afbreuk doet aan het landelijke karakter van de omgeving en de doorzichten daar naartoe, nu ingevolge het plan het gehele perceel kan worden bebouwd. Dit brengt tevens met zich dat de bebouwing niet meer zal passen in het straatbeeld.

Verder achten [appellant] en anderen de toegestane bebouwing op het perceel in strijd met de welstandsnota.

2.4.1. Het bouwvlak wordt aan de voorzijde van het perceel met 3,5 m richting het perceel aan de [locatie 3] verbreed. De afstand tussen het bouwvlak en het naastgelegen perceel meet 11,5 m. Gelet op de omstandigheid dat daar niet mag worden gebouwd, blijft sprake van een doorzicht naar het buitengebied. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een verhoging van de toegestane bebouwing met 0,5 m en een verbreding van het bouwvlak aan de voorzijde met 3,5 m dusdanig is dat deze uitbreiding met zich brengt dat het pand niet meer past in het straatbeeld.

Voorts is de welstandsnota niet bedoeld als leidraad voor het opstellen van bestemmingsplannen, maar voor de toetsing in een omgevingsvergunningprocedure van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Gelet daarop kunnen de bezwaren van [appellant] die in dat verband zijn aangevoerd in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

Privaatrechtelijke belemmeringen

2.5. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld nu een privaatrechtelijke belemmering daaraan in de weg staat. Hiertoe voeren zij aan dat de toegestane vergroting van het garagebedrijf tot gevolg heeft dat sprake is van vermindering van lucht en van toetreding van daglicht. Dit is volgens [appellant] en anderen in strijd met artikel 5:37 van het Burgerlijk wetboek.

2.5.1. De Afdeling vermag niet in te zien dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die evident in de weg staat aan de verwezenlijking van het plan noch dat de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen percelen en het woongenot aldaar op onaanvaardbare wijze worden aangetast.

Vertrouwensbeginsel

2.6. [appellant] en anderen betogen dat de bouwmogelijkheden voor het garagebedrijf dat is gevestigd op het perceel aan de [locatie 1] te Nieuwlande in strijd zijn met een mondelinge toezegging van twee bij de gemeente werkzame ambtenaren dat het aldaar gevestigde garagebedrijf niet zou uitbreiden en dat, gelet daarop, het plan in zoverre in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2012, in zaaknr. 201109458/1/R1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwenbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen, concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat door een daartoe bevoegd persoon toezeggingen zijn gedaan, waaraan een gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] en anderen gerechtvaardigd hebben kunnen vertrouwen dat de raad geen uitbreiding van het garagebedrijf zou toestaan.

Conclusie

2.7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

375-718.