Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201205589/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dijklint" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205589/2/R4.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Alblasserdam,

en

de raad van de gemeente Alblasserdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dijklint" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juli 2012, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door M.H.J. Kleverwal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het westelijke dijklint van Alblasserdam. Het betreft een voornamelijk conserverend plan.

2.3. [verzoeker] richt zich tegen het plan, voor zover het niet voorziet in een bouwvlak ter hoogte van het bijgebouw bij zijn woning op zijn perceel [locatie] te Alblasserdam. Hij wenst een bestemming als zelfstandig bijgebouw. [verzoeker] verzoekt om het treffen van een voorlopige voorziening opdat het bestemmingsplan niet in werking treedt voordat op het beroep is beslist. Hij voert hiertoe aan dat indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen het bestemmingsplan onherroepelijk wordt en niet meer kan worden aangepast.

2.4. De voorzitter stelt vast dat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, nu [verzoeker] uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat het bestemmingsplan onherroepelijk wordt indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Het bestemmingsplan wordt immers eerst onherroepelijk indien in de bodemzaak het beroep ongegrond is verklaard.

2.5. Ook overigens bestaat geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, daartoe wordt het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat het bijgebouw in het vorige plan "Lammetjeswiel" uit 1979 niet als zodanig is bestemd en onder het overgangsrecht van dat plan valt. Het bijgebouw heeft in het voorliggende plan de bestemming "Wonen" en is door middel van een lijn verbonden aan het hoofdgebouw op het perceel. Aan het bijgebouw is geen bouwvlak toegekend. Nu [verzoeker] een bouwvlak ter hoogte van zijn bijgebouw en een bestemming als zelfstandig bijgebouw wenst, is hij niet gebaat bij een schorsing van het plan in zoverre, aangezien het plan "Lammetjeswiel" evenmin voorziet in een bouwvlak ter hoogte van zijn bijgebouw, noch in een bestemming als zelfstandig bijgebouw.

Voor zover [verzoeker] met zijn verzoek beoogt te bereiken dat aan het bijgebouw een bouwvlak wordt toegekend, terwijl het bestemmingsplan daarin niet voorziet, oordeelt de voorzitter dat het toewijzen van een dergelijk verzoek, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend is, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een bouwvlak. Van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

472-731.