Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201205073/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Nistelrode, Laar-Achterstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205073/2/R3.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Nistelrode, Laar-Achterstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2012, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juli 2012, waar [verzoeker] en anderen, in de persoon van [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Barkane, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A van de Klift, advocaat te Nijmegen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in 28 woningen en 16 appartementen in de "oksel" van het Laar en de Achterstraat, ten zuiden van de kern Nistelrode.

2.3. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan. Ter zitting hebben zij hun verzoek beperkt tot de volgende aspecten. Zij betogen allereerst dat de aanwezigheid van het wijstverschijnsel in het plangebied een belemmering vormt voor de woningbouw, nu de gronden daardoor niet geschikt zijn voor bebouwing. Zij wijzen hiertoe naar het rapport "Brabantse Wijstgronden in beeld" van september 2003, opgesteld in opdracht van Waterschap de Aa, Staatsbosbeheer en de Brabantse Milieufederatie. [verzoeker] en anderen betogen in dit verband dat het plan in minder woningen zou moeten voorzien, nu door de aanwezigheid van natte gronden te diep in het wijstgebied wordt gebouwd, hetgeen nadelige gevolgen voor zowel bewoners als omwonenden met zich kan brengen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied weliswaar nat is, maar dat daar geen wijst voorkomt. De raad stelt dat de gronden geschikt zijn voor bebouwing en verwijst hiervoor naar het ten behoeve van het plan opgestelde rapport "Bodemkundig / geohydrologisch onderzoek en onderzoek naar aardkundige waarden op en nabij perceel Nistelrode sectie B. nr. 2376." van 17 oktober 2005, opgesteld door Bodemconsult Arnhem (hierna: bodemkundig rapport).

2.3.2. In het bodemkundig rapport staat, voor zover thans van belang, het volgende:

"Uit bijlage 2 blijkt dat het moerige middengedeelte van de onderzoekslocatie geen echte wijst betreft. Het betreffende deel is landschappelijk laag gelegen en de natheid ervan heeft veeleer een topografische oorzaak (uitgestoven depressie in het oorspronkelijke dekzandlandschap) dan een die direct voortvloeit uit een geologische storing (Peelrandbreuk). Wel is het waarschijnlijk dat de grondwaterstand in dit hele gebied is verhoogd door de nabijheid van de Peelrandbreuk.

(…)

Wel en niet geschikt voor bebouwing is daarnaast een arbitraire afweging: met (kosten voor) waterpeilverlaging of ophoging is, technisch gezien, elke bodem in principe bouwrijp te maken.

(…)

Bebouwing van deze locatie is derhalve primair een kosteneffectiviteitsoverweging. Het thans bebouwde gebied tussen Kerkhoflaan, Loosbroekseweg en Heuvelweg in Nistelrode bestaat (bestond voorheen) overigens uit vergelijkbare moerige gronden met een nagenoeg identieke waterhuishouding."

2.3.3. Gelet op het bodemkundig rapport heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gronden geschikt zijn voor bebouwing met het in dit plan voorziene aantal woningen.

Het rapport uit 2003 waar [verzoeker] en anderen naar verwijzen betreft een algemeen rapport over wijstgronden in de provincie Noord-Brabant. In dit algemene stuk heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat niet van de juistheid van het bodemkundig rapport, dat aan het plan ten grondslag ligt, kon worden uitgegaan.

2.4. [verzoeker] en anderen betogen verder dat het voorziene appartementengebouw te hoog is. Hun privacy wordt aangetast nu dit gebouw vanwege zijn hoogte van 16 meter ruim zicht zal bieden op de omgeving. Bovendien past volgens hen een gebouw met een dergelijke hoogte niet in de traditionele dorpskern van Nistelrode, waar de kerk en de molen de hoogste gebouwen zijn. [verzoeker] en anderen kunnen zich daarnaast niet vinden in de situering van de voorziene bebouwing. Zij zien de woningen in plaats van in twee rijen bebouwing rondom een groenstrook liever in een lintvorm, nu dat volgens hen beter in de omgeving past.

2.4.1. De raad stelt dat het appartementengebouw, ondanks zijn hoogte, door de stedenbouwkundige inpassing in de omgeving past. [belanghebbende] heeft toegelicht dat het gebouw gelaagd is opgebouwd. Aan de zijde van het Laar heeft het een maximale goothoogte van 10 meter onderscheidenlijk 11 meter en een maximale bouwhoogte van 13 meter onderscheidenlijk 11 meter. Dit sluit aan bij de hoogte van de bestaande bebouwing aan het Laar. Aan de zijde van de nieuwe woningen heeft het voorziene gebouw een maximale goothoogte van 13 meter en een maximale bouwhoogte van 16 meter. Door te voorzien in een gelaagd complex en in een lagere bouwhoogte aan het Laar sluit het gebouw aan op de omgeving, aldus de [belanghebbende] De raad stelt voorts dat de afstand van het gebouw tot de woningen van [verzoeker] en anderen zodanig is dat geen onaanvaardbare aantasting van de privacy zal optreden. De raad stelt dat met het plan aansluiting is gezocht bij de bestaande structuur van de omgeving door de nieuwbouw parallel aan de historische linten te laten lopen, waarbij de noord-zuid georiënteerde zichtlijn blijft behouden door de open groenstrook tussen de twee bebouwingsstroken.

2.4.2. Het appartementengebouw is voorzien op een afstand van de woningen van [verzoeker] en anderen variërend van ongeveer 100 meter tot ongeveer 200 meter. Gelet daarop heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [verzoeker] en anderen.

Hoewel een maximale bouwhoogte van 16 meter hoger is dan de bestaande bebouwing in het gebied, heeft de raad zich gelet op de stedenbouwkundige inpassing van het gebouw naar het oordeel van voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de gelaagde opbouw, de hoogte van het gebouw niet zodanig is dat het niet passend is in de omgeving.

In het aangevoerde over de situering van de bebouwing ziet de voorzitter voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet op het behoud van de zichtlijn, niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het plan neergelegde situering.

2.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure geen stand zal houden en bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding in te gaan op het betoog van [belanghebbende] dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet ten aanzien van enkele beroepsgronden van toepassing is.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

472-731.