Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201111007/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gedeeltelijk vergroten van de woning aan de [locatie] te Drouwenerveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111007/1/A1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Drouwenerveen, gemeente Borger-Odoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 8 september 2011 in zaak nrs. 10/552 en 10/766 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gedeeltelijk vergroten van de woning aan de [locatie] te Drouwenerveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het college aan [belanghebbende] reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de gevelindeling en gevelbekleding van de woning op het perceel.

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 23 februari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 20 mei 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 2 augustus 2010 en 12 oktober 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 7 en 8 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2012, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Meijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 27 december 2006 heeft het college aan [belanghebbende] reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel. Deze bouwvergunning is onherroepelijk geworden.

Naar aanleiding van een verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van deze vergunning, is uit nader onderzoek door een toezichthouder op 23 februari 2010 gebleken dat vier gevels van de woning in afwijking van de verleende bouwvergunning zijn uitgevoerd. Deze afwijkingen hebben betrekking op de gevelindeling en de gevelbekleding, waaronder de gebruikte materialen en de kleur.

Ten aanzien van de bouwvergunning

2.2. Voor zover [appellante] betoogt dat de bouwvergunning van 27 december 2006 op onjuiste gronden is verleend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze bouwvergunning in rechte onaantastbaar is en daarom in dit geding niet meer ter discussie kan worden gesteld.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door bij het verlenen van de bouwvergunning van 20 mei 2010 van onjuiste feiten en gegevens over onder meer maten en afstanden uit te gaan. Volgens [appellante] wijkt de feitelijke situatie af van datgene waarvoor bij besluit van 20 mei 2010 bouwvergunning is verleend.

2.3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college de feiten en gegevens voldoende heeft onderzocht door op 23 februari 2010 onderzoek door een toezichthouder te laten uitvoeren. Uit dit onderzoek en uit een controle op 8 juli 2010 is niet gebleken dat de bij de bouwaanvraag van 19 maart 2010 verstrekte gegevens onjuist dan wel onvolledig zijn.

[appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het college is uitgegaan van onjuiste feiten.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voor het eerst in hoger beroep dat het welstandsadvies van de welstandscommissie "Drents Plateau" van 27 april 2010, dat aan het besluit van 12 oktober 2010 ten grondslag is gelegd, niet op de juiste wijze tot stand is gekomen. Zij voert daartoe aan dat niet Pentenga ten tijde van het advies de architect-adviseur van de gemeente Borger-Odoorn was, maar Steenhuis.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bouwvergunning van 27 december 2006 had moeten intrekken, omdat de bouw niet binnen een periode van een jaar is afgerond en de bouw nog steeds niet is afgerond. Evenmin bestaat zicht op het gereedkomen van de bouwwerkzaamheden, aldus [appellante].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juni 2008 in zaak nr. 200707375/1), is de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting maar een bevoegdheid. Niet gebleken is dat het standpunt van het college, dat uit diverse controles van toezichthouders is gebleken dat de bouwwerkzaamheden niet hebben stil gelegen dan wel stil liggen en dat ten opzichte van eerdere controles vorderingen zijn gemaakt, onjuist is. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat uit een controle kort voor de zitting ook is gebleken dat vorderingen zijn gemaakt ten opzichte van eerdere controles.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van het verzoek om handhaving

2.6. Vast staat dat ten tijde van het besluit van 23 februari 2010 was gebouwd in afwijking van de bij besluit van 27 december 2006 verleende vergunning, zodat het college bevoegd was om terzake handhavend op te treden.

2.6.1. Nu het college voor het gewijzigd uitvoeren van de gevels bij besluit van 20 mei 2010 reguliere bouwvergunning heeft verleend, zijn daarmee de afwijkingen gelegaliseerd. Gelet hierop heeft het college zich in het besluit op bezwaar van 2 augustus 2010 terecht op het standpunt gesteld dat het niet tot handhaving zal overgaan. Bij een op 8 juli 2010 door het college gedane controle is niet gebleken van andere afwijkingen. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, heeft ook vlak voor de zitting nog een controle plaatsgevonden, waarbij niet is gebleken van afwijkingen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op andere onderdelen in afwijking van de bouwvergunning van 27 december 2006 is gebouwd, dan wel dat de aanbouw in strijd met deze bouwvergunning zal worden gebruikt.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij schade heeft geleden doordat haar woning in waarde is verminderd en onverkoopbaar is geworden. Verder voert zij aan dat naast haar woning dicht op de erfgrens een groot bijgebouw is opgericht, dat het hemelwater daarvan afloopt op haar perceel waardoor haar houten garage verrot, dat door de verbouwingswerkzaamheden schade is ontstaan aan haar onroerende zaken, dat haar huis is verzakt, dat zij hinder en geluidsoverlast ondervindt van de verbouwingswerkzaamheden, dat cement en slijpsel op haar auto is terechtgekomen, dat zonder haar toestemming van haar eigendom gebruik wordt gemaakt, dat zij hinder ondervindt van de rook van het houtstookkanaal van het bijgebouw, en dat geen zicht bestaat op het gereedkomen van de verbouwing.

2.7.1. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden als rechtstreeks gevolg van de bij besluit van 20 mei 2010 verleende en bij besluit van 12 oktober 2010 gehandhaafde bouwvergunning noch als rechtstreeks gevolg van de bij besluit van 2 augustus 2010 gehandhaafde afwijzing van haar verzoek om handhaving.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012

531-702.