Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX4623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
201205402/1/R2 en 201205402/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Haaften-Noord" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205402/1/R2 en 201205402/2/R2.

Datum uitspraak: 7 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Haaften, gemeente Neerijnen,

en

de raad van de gemeente Neerijnen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Haaften-Noord" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2012, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 juli 2012, waar [appellant A], bijgestaan door mr. E.R. Koster, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, en P. Buijs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in een multifunctioneel centrum (hierna: het MFC) voor twee basisscholen, een bibliotheek, een gemeenschapshuis en sportzalen, grenzend aan de kern van Neerijnen. Voorts wordt door middel van een wijzigingsbevoegdheid de bouw van maximaal 100 woningen mogelijk gemaakt. Aan de overzijde van het plangebied, doorsneden door de Bernhardstraat, ligt het glastuinbouwbedrijf van [appellanten].

2.3. [appellanten] voeren aan dat het plan ten onrechte geen uitbreidingsmogelijkheden toekent aan het glastuinbouwbedrijf en het plan voorts tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden leidt. Volgens hen wordt het bedrijf met het plan op slot gezet en zal dit, bij doorgang van het plan, onvermijdelijk leiden tot sanering van het bedrijf.

Voorts vrezen [appellanten] dat bezoekers van het MFC en de toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied zullen klagen over overlast van het bedrijf. Wat betreft de verkeerssituatie ter plaatse stellen [appellanten] dat onduidelijkheid bestaat omtrent de ontsluiting van het plangebied. Volgens hen was het wenselijker geweest indien de resultaten van het onderzoek naar de verkeersveiligheid bij de vaststelling van het plan waren betrokken.

Verder betwijfelen [appellanten] of het onderzoek naar de waterhuishouding deugdelijk is uitgevoerd. In dat verband stellen zij dat het onderzoek zich ten onrechte beperkt tot het MFC. Ook betwijfelen zij of de wijziging van de situering van het hemelwatersysteem naar de noordzijde van het plangebied de meeste geschikte plek is.

Tot slot kunnen [appellanten] zich niet verenigen met de begrenzing van het plan. Volgens hen was het beter geweest om de gebieden ten oosten en westen van het plangebied eerst te benutten voor uitbreiding, nu deze gebieden volgens hen beter aansluiten bij de kern van Neerijnen.

2.4. De raad stelt dat het plan niet leidt tot uitbreidingsbeperkingen voor het glastuinbouwbedrijf. Het onderzoek naar de verkeersveiligheid waar [appellanten] op wijzen, betreft een uitwerking voor de inrichting van de ontsluiting. De ontsluitingsstructuur op zichzelf was reeds bekend, aldus de raad. Volgens de raad ziet het onderzoek naar de waterhuishouding ook op het gedeelte van het plan waar door middel van een wijzigingsbevoegdheid woningen worden mogelijk gemaakt. Verder stelt de raad dat de locatie voor watercompensatie aan de noordzijde van het plangebied na de vaststelling van het plan ongewijzigd is gebleven. De raad acht de planbegrenzing niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.5. Voor zover [appellanten] betogen dat hun perceel ten onrechte niet is betrokken bij het plan, wordt overwogen dat gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de vastgestelde planbegrenzing niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nu het realiseren van het MFC en de voorziene woningen een wezenlijk ander karakter heeft dan de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf van [appellanten]. Bovendien heeft de raad belang mogen hechten aan de omstandigheid dat, zoals ter zitting toegelicht, het plangebied aansluit op de bestaande kern van Neerijnen en het perceel waarop de woningen zijn voorzien reeds beschikbaar was voor woningbouw.

2.5.1. Voor zover [appellanten] stellen dat het plan een beperking oplevert voor hun uitbreidingsmogelijkheden, is ter zitting vastgesteld dat aan de woningen aan de Bernhardstraat reeds in het vorige plan een woonbestemming was toegekend. Deze woningen liggen op kortere afstand van het glastuinbouwbedrijf dan het voorziene MFC en de voorziene woningen. Hieruit volgt dat door het glastuinbouwbedrijf - daargelaten de vraag of nog uitbreidingsruimte resteert aan de zijde van de Bernhardstraat - reeds rekening diende te worden gehouden met de afstand tot deze burgerwoningen. De voorzitter volgt [appellanten] dan ook niet in hun stelling dat zij vanwege het plan worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden.

2.5.2. De voorzitter ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen vanwege klachten van toekomstige bezoekers en bewoners in het plangebied. [appellanten] hebben niet concreet gemaakt waarop mogelijke klachten betrekking zouden hebben. Voorts zijn het MFC en de woningen op ruime afstand van het glastuinbouwbedrijf geprojecteerd.

2.5.3. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de verkeerssituatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de "Notitie verkeersgeneratie nieuwe woonwijk Haaften-Noord" van oktober 2010. [appellanten] hebben de juistheid van dit onderzoek niet bestreden.

Het "Verkeersplan Kulturhus Haaften", waar [appellanten] zich tegen richten, ziet op een nadere inrichting van het gebied in verkeerskundig opzicht. Dit betreft derhalve een uitvoeringsaspect dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. Overigens heeft de raad ter zitting medegedeeld dat indien het beoogde verkeersplateau ter plaatse van de inrit van het bedrijf van [appellanten] tot problemen zou leiden voor vrachtwagens van en naar het bedrijf, de mogelijkheid bestaat de inrichting van het gebied op dit punt aan te passen.

2.5.4. Ter zitting heeft de raad verduidelijkt dat de plantoelichting ten opzichte van het ontwerpplan is aangevuld op het punt van het onderzoek naar de waterhuishouding in het plangebied. In de plantoelichting staat dat ter compensatie voor de verharding ter plaatse van het MFC een wateropgave van 1300 m² geldt. Voor de totale oppervlakte aan woningen bedraagt dit 3635 m². Voorts staat in de plantoelichting dat in het plan ter plaatse van de bestemming "Water" een totale bergingscapaciteit van circa 5000 m² is voorzien. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderzoek naar de waterhuishouding geen rekening is gehouden met de voorziene woningen.

Wat betreft het betoog van [appellanten] omtrent de verplaatsing van het hemelwatersysteem naar de noordzijde van het plangebied, wordt overwogen dat de situering blijkens het ontwerpplan niet is gewijzigd bij de vaststelling van het plan. [appellanten] hebben voorts niet gemotiveerd waarom de situering van de waterberging aan de noordzijde onjuist zou zijn. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen.

2.5.5. Het betoog van [appellanten] dat het beter was geweest om de gebieden ten oosten en westen van het plangebied eerst te benutten voor uitbreiding, betreft een bezwaar tegen de begrenzing van het plan. Zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de planbegrenzing. Gezien de ligging van het plangebied aansluitend aan de kern van Neerijnen, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor deze begrenzing.

2.5.6. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Fenwick

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012

608.