Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201109956/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan de gemeente Valkenswaard vrijstelling verleend ten behoeve van de aanleg van een rotonde op de kruising Europalaan/Bakkerstraat/Wolbergstraat te Valkenswaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109956/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Belangengroep Europalaan e.o. Valkenswaard en de bewoners van 92 adressen in de omgeving van de Europalaan, gevestigd onderscheidenlijk woonachtig te Valkenswaard (hierna: de Stichting en anderen),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B],

3. [appellant sub 3A], [appellant sub 3B] en [appellant sub 3C],

4. [appellant sub 4], allen wonend te Valkenswaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2011 in zaken nrs. 10/2200, 10/2145, 10/2147, 10/2198, 10/2159 en 10/2202

in het geding tussen:

onder anderen de Stichting en anderen, [appellanten sub 2],

[appellanten sub 3], [appellant sub 4], en [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij])

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan de gemeente Valkenswaard vrijstelling verleend ten behoeve van de aanleg van een rotonde op de kruising Europalaan/Bakkerstraat/Wolbergstraat te Valkenswaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [appellanten sub 2], [appellant sub 3A], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, het door de Stichting en [appellant sub 3C] daartegen ingestelde beroep ongegrond en het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, en het besluit van 25 mei 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2011, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2011 en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2011, hoger beroep ingesteld. De Stichting en anderen hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 10 oktober 2011 en 19 oktober 2011, [appellanten sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 13 oktober 2011, [appellanten sub 3] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 23 november 2011 en [appellant sub 4] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 3 november 2011.

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college naar aanleiding van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen, waarbij het opnieuw vrijstelling heeft verleend.

[appellanten sub 3] hebben bij brief van 21 oktober 2011 beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het door [wederpartij] daartegen bij brief van 21 november 2011 ingestelde beroep en het door [appellanten sub 2] daartegen bij brief van 22 november 2011 ingestelde beroep aan de Afdeling doorgezonden. [appellanten sub 3] anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 december 2011.

De Stichting en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. G. Bussink, [appellant sub 3A], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, [wederpartij A], bijgestaan door M.G.J. Koenen en J.H.T. Roosen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.L. Walta, mr. C.J.M.H. Meulendijk, B.P.M. Rademakers en A.H.W. Peters, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Stichting en anderen betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte slechts heeft geoordeeld over het door haarzelf ingestelde beroep en niet over de beroepen van de omwonenden op 92 adressen in de omgeving van de Europalaan, die de Stichting hebben gemachtigd de procedure voor hen te voeren.

2.2. [appellant sub 2B], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] betogen dat de rechtbank hun beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hen wordt hun woonklimaat beïnvloed door de toenemende verkeersbewegingen als gevolg van de reconstructie en de gewijzigde functie van de Europalaan.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat de aanleg van de rotonde geen toename van verkeer op de Europalaan genereert, nu deze aanleg niet meer behelst dan de gewijzigde inrichting van een bestaand kruispunt. Zij heeft daarom terecht overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van de rotonde zich tot visuele aspecten beperkt. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 2B], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] zicht hebben op de rotonde, zodat zij niet als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft hun hoger beroepen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2.2.3. [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] betogen terecht dat de rechtbank hen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu ter zitting is vastgesteld dat zij

zicht zullen hebben op de rotonde. Hun betoog slaagt.

2.3. Vastgesteld wordt dat de omwonenden, met uitzondering van [16 omwonenden], geen zicht hebben op de rotonde en derhalve niet als belanghebbenden bij het besluit van 25 mei 2010 zijn aan te merken. Het hoger beroep voor zover door hen ingesteld zal verder buiten beschouwing worden gelaten.

2.4. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.5. De Stichting en [16 omwonenden] (hierna: de omwonenden 1) betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het verzoek om vrijstelling op 9 juli 2009 niet ter inzage is gelegd, maar later is toegevoegd, en dat het stempel met de datum 30 juni 2008 mogelijk achteraf op de aanvraag is geplaatst.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat op 9 juli 2009 niet alle relevante stukken ter inzage zijn gelegd. De Stichting en de omwonenden 1 hebben hun betoog dienaangaande niet onderbouwd, terwijl het college bij zijn verweerschrift van 16 december 2011 een uitdraai heeft gevoegd van het postregistratiesysteem dat door de gemeente Valkenswaard wordt gebruikt. Op de uitdraai staat vermeld dat het verzoek om vrijstelling op 30 juni 2008 bij het college is ingekomen.

Het betoog faalt.

2.6. De voorziene rotonde maakt onderdeel uit van de reconstructie van de Europalaan in Valkenswaard. Deze reconstructie is op haar beurt onderdeel van een omvangrijk plan van de gemeente Valkenswaard om het centrum van deze plaats autoluw te maken.

2.7. Vast staat dat de rotonde in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Omgeving Zandbergstraat-Ooistraat", "Muldershoek", "Centrum Randgebied" en "De Warande". Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van de bestemmingsplannen verleend.

2.8. De Stichting en de omwonenden 1 en [appellant sub 3C] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling voor de rotonde kon verlenen. Samengevat weergegeven voeren zij daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanleg van de rotonde een onevenredige aantasting van hun woongenot met zich zal brengen door toenemende geluidhinder en verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens voeren zij aan dat door of namens het college toezeggingen zijn gedaan waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen konden ontlenen dat de Europalaan niet de functie van doorgaande route zou krijgen, en dat de aansluiting van de Zuidelijke Randweg op de Europalaan niet zou worden gerealiseerd dan nadat op en aan de Europalaan de benodigde milieu- en veiligheidsmaatregelen zouden worden getroffen.

2.8.1. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat het gebruik van de aan te leggen rotonde geen toename van het verkeer op de Europalaan veroorzaakt. Nu de hiervoor onder 2.8. weergegeven betogen zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat als gevolg van de aanleg van de rotonde de verkeersintensiteit op de Europalaan zal toenemen, kunnen deze reeds daarom niet slagen.

2.9. De hoger beroepen van [appellant sub 3C], [appellant sub 2B], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] zijn ongegrond. Het hoger beroep van de Stichting en de omwonenden op 92 adressen in de omgeving van de Europalaan is gegrond, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het beroep voor zover ingesteld door deze omwonenden. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Het hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] is gegrond, voor zover de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient ook in zoverre te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.10. De Afdeling ziet in hetgeen onder 2.9. ter zake is overwogen geen aanleiding om het beroep voor zover ingesteld door de omwonenden op 92 adressen in de omgeving van de Europalaan terug te wijzen naar de rechtbank nu hun gronden gelijkluidend zijn aan de gronden die de Stichting in beroep heeft ingebracht. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling hun beroep behandelen. Het beroep voor zover ingesteld door de omwonenden, met uitzondering van de omwonenden 1, is niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbenden zijn. De Afdeling zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep voor zover ingesteld door de omwonenden 1 is gelijkluidend aan de gronden die door de Stichting zijn ingebracht. Nu de rechtbank het beroep van de Stichting terecht ongegrond heeft verklaard, zal de Afdeling hun beroep eveneens ongegrond verklaren. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] alsnog ontvankelijk verklaren. Ook hier bestaat geen aanleiding om deze beroepen terug te wijzen naar de rechtbank, omdat de rechtbank naar aanleiding van de beroepsgronden van de Stichting, die in essentie gelijkluidend zijn aan die van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A], een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van het besluit. Nu dat beroep ongegrond is, is het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] eveneens ongegrond.

2.11. Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college naar aanleiding van de aangevallen uitspraak opnieuw vrijstelling verleend voor de rotonde. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, voor de Stichting en anderen, en [appellant sub 3C] geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Dit wil zeggen dat voor hen van rechtswege een beroep tegen het besluit van 20 september 2011 is ontstaan.

Ook voor [appellanten sub 2], [appellant sub 3A], [appellant sub 3B], [appellant sub 4] en [wederpartij] is van rechtswege een beroep tegen het besluit van 20 september 2011 ontstaan.

Voor [appellant sub 2B], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4], en voor de omwonenden, met uitzondering van de omwonenden 1, geldt dat het beroep van rechtswege dat voor hen is ontstaan, niet-ontvankelijk is, nu zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Aan de behandeling van de gronden tegen dit besluit die [appellant sub 2B] bij brief van 22 november 2011 en [appellant sub 3B] bij brieven van 21 oktober 2011 en 23 november 2011 hebben ingediend, wordt derhalve niet toegekomen.

De Stichting en de omwonenden 1 hebben hun beroep niet onderbouwd, zodat dit ongegrond is.

[appellant sub 3C] verwijst voor de gronden van zijn beroep tegen het besluit van 20 september 2011 naar hetgeen hij in zijn hogerberoepschrift heeft betoogd. Nu zijn hoger beroep ongegrond is, is zijn beroep tegen dat besluit eveneens ongegrond.

[appellant sub 2A] verwijst voor de gronden van zijn beroep eveneens naar hetgeen hij in zijn hogerberoepschrift heeft betoogd. [appellant sub 3A] verwijst voor de gronden van zijn beroep naar zijn brief aan de Afdeling van 22 november 2011. Nu deze gronden in essentie overeenkomen met de gronden die [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] bij de rechtbank hebben ingediend en hun beroep bij de rechtbank ongegrond is, is ook hun beroep tegen het besluit van 20 september 2011 ongegrond.

2.12. Het betoog van [wederpartij] dat het college niet bevoegd was het besluit van 20 september 2010 te nemen, omdat volgens hem de gemeenteraad van Valkenswaard zijn bevoegdheid tot het nemen van de vrijstelling niet aan hem heeft gedelegeerd, mist feitelijke grondslag, nu de gemeenteraad deze bevoegdheid bij besluit van 26 oktober 2000 aan het college heeft gedelegeerd.

2.13. [wederpartij] betoogt verder dat ter voorbereiding van het besluit van 20 september 2011 ten onrechte niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is toegepast.

2.13.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009 in zaak nr. 200801960/1), staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter aan het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb (hierna: de uniforme openbare voorbereidingsprocedure) opnieuw te doorlopen. Het besluit van 20 september 2011 bevat een nadere motivering van het besluit van 25 mei 2010 naar aanleiding van de beroepsgronden die [wederpartij] bij de rechtbank heeft ingediend. Het wijkt naar zijn inhoud niet af van het besluit van 25 mei 2010 en houdt daarom geen planologische wijziging in ten opzichte van dat besluit. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat het college ten onrechte heeft afgezien van het opnieuw toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Het betoog faalt.

2.14. Het betoog van [wederpartij] dat het nieuwe besluit ten onrechte niet digitaal beschikbaar is gesteld, faalt eveneens. Voor een vrijstellingsbesluit dat is genomen krachtens de WRO, bestaat geen wettelijke verplichting tot digitale bekendmaking.

2.15. [wederpartij] betoogt voorts dat het besluit van 20 september 2011 dient te worden vernietigd, omdat hij als gevolg daarvan niet langer ongestoord gebruik kan maken van de erfdienstbaarheid die rust op een stuk grond dat aan zijn perceel grenst. Omdat hij dit stuk grond na aanleg van de rotonde niet langer per auto kan bereiken, is ook zijn perceel niet meer per auto bereikbaar en kan hij niet langer op het eigen terrein parkeren.

2.15.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1 wordt overwogen dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding is wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.15.2. Het college heeft ter zitting aan de hand van bij de vrijstelling behorende tekeningen onbetwist toegelicht dat de gronden waarop de erfdienstbaarheid rust, ook na realisering van de rotonde, voor [wederpartij] per auto bereikbaar zijn, omdat de erfdienstbaarheid niet zal aansluiten op het fietspad, maar op de ventweg. Nu het betoog van [wederpartij] feitelijke grondslag mist, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

2.16. Naar aanleiding van het betoog van [wederpartij] dat het besluit dient te worden vernietigd, omdat volgens hem uit de beschikbare documenten niet blijkt hoe de rotonde in de buurt van zijn woning zal worden uitgevoerd, wordt overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bij de vrijstelling behorende tekeningen onduidelijkheden bevatten met betrekking tot de uitvoering van de rotonde.

Het betoog faalt.

2.17. [wederpartij] betoogt verder dat het college de vrijstelling niet heeft mogen verlenen, omdat volgens hem de afwikkeling van het verkeer na aanleg van de rotonde niet meer op 21 m afstand van zijn perceel plaatsvindt, maar op 4,5 m.

2.17.1. Het college heeft ter zitting onweersproken verklaard dat de afstand van het perceel van [wederpartij] tot het kruispunt 23 à 24 m bedraagt en de afstand van zijn perceel tot de rotonde 18 m. Tevens zal het verkeer na realisering van de rotonde langzamer rijden. Voorts heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanige hinder van de aanleg van de rotonde zal ondervinden dat het college om die reden de vrijstelling had behoren te weigeren. Ook de omstandigheid dat hij na aanleg van de rotonde per saldo iets langere afstanden moet afleggen om de voor- en achterzijde van zijn perceel de bereiken, kan niet leiden tot die conclusie.

Het betoog faalt.

2.18. [wederpartij] betoogt ten slotte dat het college heeft toegezegd dat de Ooistraat niet zou worden afgesloten. Nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens het college door een daartoe bevoegd persoon deze toezegging is gedaan, faalt zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.

2.19. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 20 september 2011 is ongegrond.

2.20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Stichting en de omwonenden op 92 adressen in de omgeving van de Europalaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2011 in zaken nrs. 10/2200, 10/2145, 10/2147, 10/2198, 10/2159 en 10/2011, gegrond voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het beroep voor zover ingesteld door deze omwonenden;

II. vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;

III. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] gegrond, voor zover de rechtbank hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard;

IV. vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover ingesteld door omwonenden, met uitzondering van [16 omwonenden] (hierna: de omwonenden 1), niet-ontvankelijk;

VII. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover ingesteld door de omwonenden 1, ongegrond;

VIII. verklaart het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 3A] ingestelde beroep ongegrond;

IX. verklaart het beroep van [appellant sub 2B], [appellant sub 3B] en [appellant sub 4], en dat van de omwonenden, met uitzondering van niet zijnde de omwonenden 1, tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard van 20 september 2011, kenmerk 11uit07346, niet-ontvankelijk;

X. verklaart het beroep tegen dat besluit van de Stichting en van de omwonenden 1, en van [appellant sub 3C], [appellant sub 2A], [appellant sub 3A] en [wederpartij A] en [wederpartij B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

414-619.