Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201112420/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Coornhertstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112420/1/R1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Heemskerk,

2. [appellant sub 2], wonend te Heemskerk,

en

de raad van de gemeente Heemskerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Coornhertstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [gemachtigde], [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door Y. Boekling, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.S. de Jonge en S. Buisman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in bouwmogelijkheden voor twee woontorens van ieder zeven woonlagen aan de Coornhertstraat, met een parkeergarage en toevoeging van openbaar groen. De 24 beneden- en bovenwoningen die voorheen aanwezig waren zijn reeds gesloopt.

2.2. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. [appellant sub 2] verwijst daarbij naar het Parkeerbeleidsplan 2010 van de gemeente (hierna: het Parkeerbeleidsplan). Volgens [appellant sub 2] voorziet het plan bij de westelijke woontoren in twintig parkeerplaatsen minder dan volgens het Parkeerbeleidsplan nodig zijn, omdat de bewoners van deze toren vanwege de afstand de parkeerplaatsen bij de oostelijke woontoren niet zullen gebruiken. Hij vreest dat de bewoners in de omgeving zullen parkeren en dat daardoor voor de bezoekers van zijn atelier parkeerproblemen zullen ontstaan. [appellant sub 1] en anderen vrezen voorts een toename van het verkeer.

2.3. Volgens de raad zullen in totaal 101 parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor 54 woningen, zodat aan de parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning zal worden voldaan. Voorts stelt de raad dat in het plangebied 24 woningen zijn gesloopt, zodat de toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege de woontorens minder groot is dan uit het aantal nieuwe woningen lijkt te volgen en deze toename kan worden opgevangen op het wegennet.

2.3.1. Aan het meest oostelijk gelegen plandeel met de bestemming "Wonen" is de aanduiding "parkeergarage" toegekend. Deze aanduiding is tevens aan de deel van de naastgelegen gronden met de bestemming "Groen" toegekend. Aan de beide plandelen met de bestemming "Wonen" grenst een plandeel met de bestemming "Verkeer". De afstand tussen de plandelen met de bestemming "Verkeer" bedraagt ongeveer 60 m.

2.3.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1.2, aanhef en onder d, van de planregels zijn onder de bestemming "Wonen" parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" toegestaan.

Ingevolge lid 6.3, onder a, geldt dat parkeervoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan in het souterrain en ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, aanhef en onder b en c, zijn onder de bestemming "Groen" aan de bestemming ondergeschikte fiets- en voetpaden toegestaan, en parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor het wegverkeer met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 5.1.2, aanhef en onder d, zijn onder de bestemming "Verkeer" ongebouwde parkeervoorzieningen toegestaan.

2.3.3. In de plantoelichting staat dat ten behoeve van de woontorens 69 parkeerplaatsen op maaiveldniveau worden gerealiseerd en 32 parkeerplaatsen in de parkeergarage, in totaal 101 parkeerplaatsen.

In het Parkeerbeleidsplan staat dat als parkeernorm voor herstructureringsprojecten de parkeernorm voor nieuwbouw wordt gehanteerd. De parkeernormen voor nieuwbouw zijn 0,6 parkeerplaats voor zorgeenheden en kamerverhuur, 1 parkeerplaats voor seniorenwoningen, 1,6 parkeerplaats voor woningen die goedkoper dan gemiddeld zijn met twee kamers en een woonoppervlak tot 80 m², 1,8 parkeerplaats voor gemiddelde woningen met drie à vier kamers en een woonoppervlak van 80 tot 110 m² en twee parkeerplaatsen voor woningen die duurder dan gemiddeld zijn, twee-onder-één-kap-woningen en vrijstaande woningen, met een woonoppervlak van 110 m² en groter. Ook staat in het Parkeerbeleidsplan dat om eventuele bezoekers parkeerruimte te geven in de parkeernormen rekening wordt gehouden met een extra parkeerbehoefte van 0,3 parkeerplaats per woning.

2.3.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de oppervlakte van de appartementen in de woontorens gemiddeld tussen 80 en 110 m² zal liggen, zodat op een gemiddelde parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning wordt uitgekomen. Tevens heeft de raad toegelicht dat in de parkeernorm van 1,8 parkeerplaats de extra parkeerbehoefte voor bezoekers van 0,3 parkeerplaats per woning reeds is opgenomen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning ten onrechte heeft gehanteerd. De afstand tussen de plandelen waar parkeerplaatsen zijn toegestaan, is voorts niet dusdanig groot dat voor de bewoners en bezoekers van de westelijke woontoren de parkeerplaatsen bij de oostelijke woontoren geen alternatief zijn. [appellant sub 1] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de raad ten onrechte uitgaat van een beperkte toename van het verkeer en dat de omliggende straten de toename van het verkeer niet kunnen verwerken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare parkeer- en verkeersdruk tot gevolg zal hebben.

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat door de woontorens hun uitzicht op het park zal worden weggenomen en dat hun privacy zal verminderen. Tevens betogen zij dat tussen de woontorens onderling en tussen de oostelijke woontoren en de woontoren waarin zij wonen te weinig afstand in acht wordt genomen, waardoor het gebied een stedelijk karakter zal krijgen.

2.4.1. Volgens de raad is de afstand tussen de plandelen met de bestemming "Wonen" van ongeveer 70 m ruimschoots voldoende, nu hij als uitgangspunt hanteert dat uitgaande van de maximale bouwhoogte van 26 m een afstand van 26 m tussen de oostelijke woontoren en de woontoren van [appellant sub 1] en anderen voldoende is om ruimte, licht en lucht te ervaren. Met deze afstand wordt tevens voldoende rekening gehouden met de privacy en het uitzicht van de bewoners van de omliggende woningen, aldus de raad.

2.4.2. Aan de plandelen voor de woontorens is de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend. Het dichtst bij de woontoren van [appellant sub 1] en anderen gelegen oostelijke plandeel met deze bestemming ligt op ongeveer 70 m afstand. Aan dit plandeel is een maximale bouwhoogte van 26 m toegekend. Het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de westelijke woontoren ligt op een afstand van ongeveer 53 m van het plandeel voor de oostelijke woontoren. Aan het plandeel voor de westelijke woontoren is een maximale bouwhoogte van 24 m toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen en bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 6.1.2 is onder de bestemming "Wonen" toegestaan:

a. hoofdgebouwen in de vorm van woningen;

b. bergingen en andere nevenruimten;

c. aan huis gebonden beroep;

d. parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage".

Ingevolge lid 6.2.1 mogen binnen de bestemming "Wonen" gebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. gebouwen zijn alleen toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;

b. maximumbebouwingspercentage: 100% van het bouwvlak;

c. maximumbouwhoogte: zoals met de aanduiding "maximum bouwhoogte" staat aangegeven;

d. maximumaantal bouwlagen: zeven.

2.4.3. Gelet op de afstand van ongeveer 70 m tussen de woontoren van [appellant sub 1] en anderen en het dichtstbij gelegen oostelijke plandeel met de bestemming "Wonen" en de omstandigheid dat de gronden in een woonwijk liggen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en de privacy van [appellant sub 1] en anderen zal leiden. Gelet op de afstand van ongeveer 53 m tussen de plandelen met de bestemming "Wonen" en ongeveer 70 m tussen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de oostelijke woontoren en de woontoren van [appellant sub 1] en anderen heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situering van de woontorens ten opzichte van elkaar stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Dat elders in de gemeente een grotere afstand tussen woontorens is aangehouden doet aan het voorgaande niet af.

2.5. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich voorts niet verenigen met de mogelijkheid om ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Wonen" een reclamebord van maximaal 0,5 m² te plaatsen. Volgens hen volgt uit het bestemmingsplan ten onrechte niet duidelijk hoe een dergelijk bord er uit komt te zien.

2.5.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.3, onder b en sub 6, van de planregels geldt bij de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf in samenhang met het wonen dat er geen reclame gemaakt mag worden aan of bij het pand, met uitzondering van een klein bord, met een maximale oppervlakte van 0,5 m², voor de mededeling van het beroep en de openingstijden en dergelijke.

2.5.2. Gelet op de beperkte ruimtelijke invloed die van de bedoelde reclameborden uitgaat ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de mogelijkheid om reclameborden te plaatsen niet verder te beperken, daargelaten of overigens nog beperkingen gelden voor reclameborden. Voorts is de wijze waarop de bedoelde reclameborden worden vormgegeven een kwestie van uitvoering. Voor een beoordeling daarvan is in de onderhavige procedure geen plaats.

2.6. Wat betreft het betoog dat [appellant sub 1] en anderen schade zullen lijden in de vorm van waardevermindering van hun woningen overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bestemmingsplan op dit punt aan de orde zijn.

2.7. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond.

2.8. [appellant sub 2] betoogt voorts dat ten onrechte niet tevens een woonbestemming is toegekend aan het plandeel voor zijn pand, terwijl hij van de toenmalige wethouder in 1984 toestemming heeft gekregen om het pand tevens als woning te gebruiken, hetgeen hij tussen 1984 en 1995 ook heeft gedaan. Ook meent hij dat een woonbestemming voor zijn pand is aangewezen omdat hij zich op dat adres heeft kunnen inschrijven in het bevolkingsregister en omdat de gemeente het pand gedurende meerdere jaren als woning heeft aangemerkt voor de bepaling van de waarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ). In dit verband wijst hij op zijn schetsplan, dat voorziet in de uitbreiding van zijn pand tot woning, galerie en atelier.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het pand van [appellant sub 2] altijd als pompgemaal was bestemd en dat er geen bewijs is voor toestemming van de toenmalige wethouder om het pand te gebruiken als woning. De WOZ-beschikkingen waar [appellant sub 2] naar verwijst zijn vergissingen en deze zijn later aangepast, aldus de raad.

2.8.2. Aan het plandeel voor het pand van [appellant sub 2] is de bestemming "Gemengd" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor nutsvoorzieningen en atelier.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat de waardevaststelling in het kader van de WOZ en de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet relevant zijn bij het vaststellen van een bestemming in het kader van een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij toestemming heeft verkregen van een wethouder om in zijn pand te wonen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij een individuele woning in de groenstructuur niet passend vindt en daarom geen woonbestemming aan het pand van [appellant sub 2] heeft toegekend. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan dit belang dan aan het belang van [appellant sub 2] om zijn pand als woning te mogen gebruiken.

2.9. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de afstand tussen de voorziene woontorens en zijn pand te klein is. In zijn pand is zijn atelier gevestigd en hij vreest overlast te zullen veroorzaken bij het vervaardigen van beeldhouwwerken en keramiek. Hij betoogt voorts dat de raad zijn pand ten onrechte als atelier heeft aangemerkt in de zin van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure), omdat de aard van zijn activiteiten beter aansluit bij een natuursteenbewerkingsbedrijf of een aannemersbedrijf met werkplaats.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat volgens de richtafstanden uit de VNG-brochure de afstand van ongeveer 10 m tussen het pand van [appellant sub 2] en de woontorens voldoende is.

2.9.2. Het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het plan van [appellant sub 2] ligt op ongeveer 11 m afstand van het dichtstbij gelegen plandeel met de bestemming "Wonen" voor de westelijke woontoren.

2.9.3. De VNG-brochure biedt onder meer richtafstanden voor de toepassing van milieuzonering, die zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.

2.9.4. De VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties. Van de daarin aangegeven indicatieve afstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De Afdeling overweegt dat nu het bestemmingsplan voorziet in bouwmogelijkheden voor woningen de VNG-brochure in dit geval als toetsingskader kan worden gehanteerd.

Niet in geschil is dat de omgeving waarin het pand van [appellant sub 2] ligt getypeerd kan worden als een rustige woonwijk. In de VNG-brochure staat dat voor ateliers vanwege geluid een richtafstand van 10 m tot gevoelige objecten wordt aanbevolen. Niet is gebleken dat in het pand van [appellant sub 2] dusdanige bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid dat de kwalificatie als atelier niet passend is. De omstandigheid dat [appellant sub 2] tevens steen bewerkt en sommige werkzaamheden in de open lucht uitvoert is daarvoor onvoldoende. Dit betekent dat voor de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de richtafstanden van de VNG-brochure wordt voldaan. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand van het atelier van [appellant sub 2] tot de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de woontorens niet in de weg hoeft te staan aan een goed woon- en leefklimaat in de woontorens, zodat het gebruik van het atelier kan worden voortgezet.

2.10. [appellant sub 2] vreest dat zijn pand niet bereikbaar zal zijn voor de vracht- en kraanwagens waarmee zijn zware materialen worden vervoerd en getakeld, omdat het plandeel met de bestemming "Verkeer" niet tot aan het plandeel voor zijn pand reikt.

2.10.1. Het plandeel met de bestemming "Verkeer" ligt op ongeveer 3,5 m afstand van het pand waarin zich het atelier van [appellant sub 2] bevindt. Aan de tussenliggende gronden is de bestemming "Groen" toegekend. In de huidige situatie liggen tussen de Coornhertstraat en het pand van [appellant sub 2] groenstroken en een voetpad.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen.

Ingevolge lid 4.1.2 is onder de bestemming "Groen" toegestaan:

a. groenvoorzieningen, in de vorm van plantsoenen, park en solitaire beplanting;

b. aan de bestemming ondergeschikte fiets- en voetpaden;

c. parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage";

d. nutsvoorzieningen;

e. speelvoorzieningen;

f. water, waterberging en voorzieningen voor de waterhuishouding.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat in de huidige situatie tussen de ingang en de weg een groenvoorziening ligt, die voor het vervoer van zware materialen ook nu overbrugd moet worden. Gelet daarop en op de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat het vervoer van zware materialen slechts enkele malen per jaar voorkomt, heeft de raad deze wijze van ontsluiting van het pand van [appellant sub 2] redelijk kunnen achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting heeft gesteld dat bij de inrichting van de gronden om het pand van [appellant sub 2] rekening zal worden gehouden met het incidentele vervoer van zware materialen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de omvang en ligging van het plandeel met de bestemming "Verkeer" bij het pand van [appellant sub 2].

2.11. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

191-655.