Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201112649/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de eerste etage aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Spijkenisse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112649/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Spijkenisse,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2011 in zaak nr. 10/2752 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de eerste etage aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Spijkenisse.

Bij uitspraak van 27 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 december 2011.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. G. van der Wende, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door H.F.J. Noppen en V.L. Silver, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maaswijk" omdat de maximale goothoogte van 3 meter voor de uitbreiding van woningen wordt overschreden. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ontheffing verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van het ambtelijk stedenbouwkundig advies van 8 januari 2009 (hierna: het stedenbouwkundig advies) ontheffing heeft verleend. Hiertoe voert hij aan dat het college, door slechts te verwijzen naar het positieve welstandsadvies van 6 januari 2009, niet alle stedenbouwkundige bezwaren heeft weerlegd. Volgens hem had het college aan het stedenbouwkundig advies meer gewicht moeten toekennen.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college ontoereikend heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de te realiseren dakopbouw geen stedenbouwkundige bezwaren bestaan. Hierbij heeft het college terecht in aanmerking genomen dat tijdens een onderzoek ter plaatse door onder meer de betreffende wethouder is gebleken dat de stedenbouwkundige bezwaren hoofdzakelijk verband houden met aspecten van welstand en dat daarvoor een positief welstandsadvies was afgegeven. Het college was bij het nemen van zijn beslissing om ontheffing te verlenen niet aan het stedenbouwkundig advies gebonden, nu dit een ambtelijk advies betreft.

Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college het welstandsadvies heeft laten prevaleren boven het stedenbouwkundig advies. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat een bouwaanvraag aan elk van de in het ten tijde van belang geldende artikel 44, eerste lid, van de Woningwet opgenomen weigeringsgronden dient te worden getoetst en dat deze niet in een hiƫrarchische verhouding tot elkaar staan. Dit betekent dat het bouwplan terecht afzonderlijk op stedenbouwkundige aanvaardbaarheid en redelijke eisen van welstand is getoetst. De vergelijking door [appellant] met de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002 in zaak nr. 200105751/1 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda in zaak nr. 09/4654 (LJN: BK 4260) treft voorts geen doel, reeds omdat in de zaken die tot deze uitspraken hebben geleid, anders dan in het onderhavige geval, twee tegenstrijdige welstandsadviezen aan de orde waren.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. Hiertoe voert hij aan dat, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, in de regel slechts in uitzonderlijke gevallen ontheffing mag worden verleend. Volgens hem heeft het college, door in dit geval ontheffing te verlenen, de grenzen van zijn beleidsvrijheid overschreden.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 oktober 2011 in zaak nr. 201103958/1/H1), betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij de rechter zich, anders dan [appellant] betoogt, moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen. In de enkele stelling van [appellant] dat in dit geval geen gewichtige redenen aanwezig zijn die het verlenen van ontheffing rechtvaardigen, heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat hij door het verlenen van de ontheffing onevenredig in zijn belangen is geschaad. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, brengt de realisering van de dakopbouw niet een zodanige toename van de schaduwwerking op zijn perceel met zich dat het college om die reden niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat van de bestaande bebouwing op het perceel reeds schaduwwerking uitgaat.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

414-593.