Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201109728/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkensbedrijf op de percelen [locatie 1 en 2] te Loozen. Dit besluit is op 27 juli 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109728/1/A4.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Velde, gemeente Hardenberg, en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkensbedrijf op de percelen [locatie 1 en 2] te Loozen. Dit besluit is op 27 juli 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft het college met toepassing van artikel 2.31 en 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) de bij besluit van 25 juli 2011 verleende revisievergunning voor de inrichting gedeeltelijk ingetrokken en de voorschriften 1.1 en 8.1 van die vergunning gewijzigd. Dit besluit is op 10 mei 2012 ter inzage gelegd.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door A. Kisteman, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Vergunninghouder

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat onduidelijk is aan wie de vergunning is verleend.

2.2.1. De aanvraag is ingediend door [vergunninghouder] en de vergunning is aan hem verleend voor de inrichting die is gelegen op de percelen [locatie 1 en 2] te Loozen. Bij de aanvraag zijn de kadastrale gegevens vermeld en tekeningen bijgevoegd. Gelet daarop is duidelijk aan wie de vergunning is verleend.

Verkeersveiligheid

2.3. Voor zover [appellant] en anderen vrezen voor de verkeersveiligheid als gevolg van de toename van vrachtverkeer van en naar de inrichting, overweegt de Afdeling dat het belang van de verkeersveiligheid bescherming vindt in de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving. De beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds daarom.

Overlast van insecten

2.4. [appellant] en anderen verwachten overlast van insecten als gevolg van de vergunde uitbreiding.

2.4.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 1.6 moet het aantrekken van insecten worden voorkomen en moeten zij bij gebleken aanwezigheid worden verwijderd en/of bestreden.

2.4.2. Het college heeft dit voorschrift in redelijkheid toereikend kunnen achten ter voorkoming van overlast door insecten. Wanneer desalniettemin overlast van insecten optreedt, kan om handhaving van dit voorschrift worden verzocht.

De beroepsgrond faalt.

Geur

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat zij geuroverlast ondervinden sinds de nieuwe ventilatoren zijn aangebracht, ondanks de gemaakte berekeningen met betrekking tot de geuremissie vanwege de inrichting. Daarom twijfelen zij aan de effectiviteit van het als geurreducerende maatregel aanbrengen van nieuwe ventilatoren in stal 4 en het verplaatsen van de ventilatoren in stal 7. Zij hebben echter niet aan de hand van concrete gegevens gemotiveerd waarom aan de effectiviteit moet worden getwijfeld.

De beroepsgrond faalt reeds daarom.

2.6. [appellant] en anderen stellen dat zij stankoverlast ervaren door het grote aantal veehouderijen in de omgeving, ondanks de stankoverlast van verscheidene veehouderijen bij elkaar volgens het college niet beoordeeld hoeft te worden.

2.6.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wet geurhinder) betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

2.6.2. Uit artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder, volgt dat bij de toetsing aan de in dat artikellid vermelde waarden slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen. De Wet geurhinder voorziet dus niet in de beoordeling van de geurbelasting van verscheidene veehouderijen bij elkaar. Nu de Wet geurhinder gelet op artikel 2, eerste lid, van die wet, bij het bestreden besluit het exclusieve kader vormt voor de beoordeling van de geuremissie, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het geen rekening met de cumulatieve geurbelasting van de veehouderijen in de omgeving mocht houden.

De beroepsgrond faalt.

Overige gronden

2.7. Voor zover [appellant] en anderen zich in het beroepschrift beperken tot het verwijzen naar de door hen over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, zonder redenen aan te voeren waarom de reactie die het college daarop heeft gegeven onjuist zou zijn, overweegt de Afdeling dat het beroep in zoverre geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is.

Ingetrokken beroepsgrond

2.8. Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond dat bij de toetsing aan artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder 600 geiten zijn betrokken die nooit binnen de inrichting zijn gehouden, ingetrokken omdat het college heeft erkend dat het de geiten ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken en deze fout bij besluit van 7 mei 2012 heeft hersteld.

Het besluit van 7 mei 2012

2.9. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.9.1. Het besluit van 7 mei 2012 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Nu dit besluit geheel aan het beroep van [appellant] en anderen tegemoet komt, wordt het beroep niet geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.

Slotoverwegingen

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat het college in het besluit van 7 mei 2012 aan [appellant] en anderen is tegemoetgekomen en zij om die reden hun beroepsgrond als weergegeven in overweging 2.8 hebben ingetrokken, aanleiding om tot een veroordeling van eventuele proceskosten over te gaan en het college te gelasten het griffierecht aan [appellant] en anderen te vergoeden.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is echter niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

457-687.