Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201112685/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2010 heeft het college [appellante] op straffe van bestuursdwang gelast om de bouwwerkzaamheden aan de betonnen, met hout betimmerde, schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onmiddellijk te staken of te doen staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112685/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1 en vennoot 2]

gevestigd, onderscheidenlijk beiden wonend, te [woonplaats], gemeente Borsele,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 oktober 2011 in zaak nr. 10/712 in het geding tussen:

[vennoten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2010 heeft het college [appellante] op straffe van bestuursdwang gelast om de bouwwerkzaamheden aan de betonnen, met hout betimmerde, schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onmiddellijk te staken of te doen staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2012, waar [vennoot 1] en het college, vertegenwoordigd door F. Davidse en B. de Kuijper, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 100d van de Woningwet, zoals die gold ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kan een last onder dwangsom, gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV, inhouden dat het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt.

2.2. De bouwwerkzaamheden, waar de last op ziet, bestaan in het vernieuwen van het dak van de schuur en het aanbrengen van een aanbouw aan de schuur. Niet in geschil is dat voor deze werkzaamheden bouwvergunning is vereist.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het vergroten van de schuur van rechtswege bouwvergunning is verleend, nu het college in de loop der jaren enige malen eerst na afloop van de daarvoor gestelde termijn op door haar ingediende aanvragen om verlening van bouwvergunning heeft beslist en de desbetreffende bouwplannen niet in strijd waren met het van toepassing zijnde bestemmingsplan.

2.3.1. Ingevolge artikel 46 van de Woningwet, aanhef en onder a, zoals die luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag omtrent een aanvraag om verlening van lichte bouwvergunning.

Ingevolge aanhef en onder b, beslissen zij binnen twaalf weken na ontvangst ervan omtrent een aanvraag om verlening van reguliere bouwvergunning.

Ingevolge het vierde lid is, indien burgemeester en wethouders niet aan het eerste lid voldoen, van rechtswege bouwvergunning verleend.

2.3.2. Op 20 december 2004 heeft [appellante] een aanvraag om bouwvergunning voor de aanbouw ingediend.

2.3.3. Ter zitting heeft het college afschrift van een besluit van 27 januari 2005 overgelegd, waarbij afwijzend op die aanvraag, bij het college ingekomen op 28 december 2004, is beslist. Hieruit volgt dat het niet buiten de termijnen, gesteld in artikel 46 van de Woningwet, heeft beslist, zodat niet van rechtswege bouwvergunning is verleend. Dat, naar [appellante] stelt, het college niet tijdig op het door haar gemaakte bezwaar heeft beslist, maakt dat niet anders.

Het betoog faalt.

2.3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat van rechtswege bouwvergunning is verleend op haar aanvraag van 2 maart 2006 om verlening van bouwvergunning ten behoeve van de aanbouw, wordt als volgt overwogen. Uit correspondentie tussen het college en [appellante], in het bijzonder een brief van 27 maart 2006 van [appellante], valt af te leiden dat zij te kennen heeft gegeven dat zij niet bedoeld heeft om om verlening van bouwvergunning te verzoeken. Het college heeft hieruit de conclusie mogen trekken dat het verzoek van die dag geen aanvraag om verlening van bouwvergunning betrof. Er is dan ook niet van rechtswege bouwvergunning verleend.

Ook dit betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009 in zaak nr. 200801801/1 valt af te leiden dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" aan het perceel een zogeheten verbaal bouwblok is toegekend, zodat zij aanspraak had op verlening van bouwvergunning, aldus [appellante].

2.4.1. Eerder (bijvoorbeeld uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200901141/1/H1) heeft de Afdeling overwogen dat bij het stilleggen van bouwwerkzaamheden krachtens artikel 100, derde lid, van de Woningwet, zoals deze gold tot 1 april 2007, in beginsel niet hoeft te worden onderzocht of de stil te leggen bouw gelegaliseerd kan worden. Artikel 100d van de Woningwet biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze jurisprudentie, voor zover die ziet op het staken van de bouw, als bedoeld in die bepaling, zoals die gold ten tijde van het besluit van 13 juli 2010, thans niet meer toepasselijk is.

2.4.2. De rechtbank heeft derhalve, nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die tot afwijking van de voormelde regel noopten, terecht overwogen dat het college niet hoefde te onderzoeken of de bouwwerkzaamheden konden worden gelegaliseerd. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de afstand van de schuur tot de perceelgrens in strijd is met het bestemmingsplan, behoeft daarom geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat zij ten gevolge van het besluit van 22 april 2010 schade heeft geleden, omdat de bouwwerkzaamheden sinds dat besluit stilliggen. Er is ook inkomensderving, omdat door het voeren van de procedure tegen de last minder tijd aan de kwekerij is besteed, en winstderving, omdat de kwekerij niet voor bepaalde activiteiten kan worden gebruikt. [appellante] verzoekt de Afdeling het college tot vergoeding van de door haar gestelde schade te veroordelen op de voet van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.1. Ingevolge die bepaling kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en daarvoor gronden zijn, het bestuursorgaan op verzoek van een partij tot vergoeding veroordelen van de schade die die partij lijdt. Nu de rechtbank het door [appellante] bij haar ingestelde beroep, gelet op het vooroverwogene, terecht ongegrond heeft verklaard, bestaat reeds om die reden aanleiding om het verzoek af te wijzen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

357-619.