Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201204130/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op hetgeen het Hof in de punten 71 tot en met 73 van het arrest heeft overwogen moet met betrekking tot de in grief 2 opgeworpen klacht dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden geconcludeerd dat, bezien vanuit het Unierecht, voor het uitvoeren van een MTV-controle in het grensgebied de aanwezigheid van een zodanig vermoeden niet is vereist.

Uit onder meer de punten 75 en 76 van het arrest van het Hof volgt dat, indien er aanwijzingen zijn dat een controle in een grensgebied, zoals een MTV-controle, eenzelfde effect kan hebben als een grenscontrole, de uitoefening van de controlebevoegdheid in een wettelijk kader dient te zijn gepreciseerd en beperkt ter voorkoming van dat effect, en dat deze preciseringen en beperkingen strikt dienen te worden nageleefd. Ten aanzien hiervan overweegt de Afdeling, mede gelet op punt 85 van het arrest, het volgende.

Blijkens het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 28 maart 2012 is de vreemdeling, die stelt afkomstig te zijn uit Afghanistan, op die dag tijdens een MTV-controle krachtens art. 50, lid 1 Vw 2000 staande gehouden als passagier van een voertuig voorzien van een Duits kenteken. De staandehouding heeft plaatsgevonden op de Rijksweg A67/E34, op het baanvak komende vanuit Duitsland, in de gemeente Venlo. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2012 is onder meer aangegeven dat de controle overeenkomstig art. 4.17a, lid 1 onder c van het Vb 2000 is uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding, dat de staandehouding heeft plaatsgevonden binnen een zone van twintig kilometer vanaf de landsgrens met Duitsland, dat in de maand maart op de desbetreffende locatie een of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 54 uur en 38 minuten, dat op de desbetreffende locatie op 28 maart 2012 een of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 1 uur en dat tijdens deze controle daadwerkelijk 2 vervoermiddelen zijn stilgehouden, zijnde een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Hieruit blijkt genoegzaam dat voormelde wettelijke voorschriften zijn nageleefd en dat de staandehouding van de vreemdeling heeft plaatsgevonden in het grensgebied.

Nu de vreemdeling geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die op het tegendeel wijzen, heeft de Rb. terecht geen aanleiding gezien voor het instellen van een nader onderzoek en heeft zij terecht geoordeeld dat de staandehouding rechtmatig was. (…).

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993 6, geldigheid: 2012-08-03
Vreemdelingenbesluit 2000 4.17a, geldigheid: 2012-08-03
Vreemdelingenwet 2000 50, geldigheid: 2012-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/395

Uitspraak

201204130/1/V4.

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 16 april 2012 in zaak nr. 12/10657 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 april 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juni 2012 in deze zaak (201204130/1/T1/V4) heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vragen, de behandeling van het hoger beroep geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

In de uitspraak van 4 juni 2012 heeft de Afdeling het Hof voorts verzocht om de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure overeenkomstig artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Dit verzoek is bij beslissing van de Tweede kamer van het Hof van 11 juni 2012 ingewilligd.

Bij arrest van 19 juli 2012 in zaak C-278/12 PPU (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest) heeft het Hof de gestelde vragen beantwoord. Dit arrest is aangehecht.

Partijen hebben bij e-mailberichten van 23 en 24 juli 2012 de Afdeling toestemming gegeven om een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staandehouding rechtmatig is, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2012 (zaak nr. 201111442/1/V4) blijkt dat een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: MTV), als hier aan de orde, niet in strijd is met Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode). Door aldus te overwegen heeft de rechtbank volgens de vreemdeling miskend dat er op het moment dat de MTV-controle in de Eurolinerbus, waarin hij zich als passagier bevond, werd uitgevoerd geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Voorts klaagt de vreemdeling in deze grief dat de rechtbank, door te overwegen dat het proces-verbaal inzichtelijk maakt op grond waarvan hij is staande gehouden en hoe de staandehouding is geschied en dat de stellingen van de vreemdeling geen reden geven tot nader onderzoek, heeft miskend dat het proces-verbaal onvoldoende inzichtelijk maakt waar de Eurolinerbus, waarmee hij werd vervoerd, zich exact bevond ten tijde van de controle en op het moment van staandehouding.

2.1.1. In de uitspraak van 4 juni 2012 heeft de Afdeling het Hof de volgende vragen gesteld:

Vraag 1

Moet artikel 21 van de Schengengrenscode aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitoefening van een nationale bevoegdheid als verleend in artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 en nader uitgewerkt in artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000, om in gebieden achter de binnengrenzen controles op personen uit te voeren, teneinde na te gaan of deze voldoen aan de in de lidstaat geldende vereisten voor rechtmatig verblijf?

Vraag 2

a. Staat artikel 21 van de Schengengrenscode eraan in de weg dat nationale controles, zoals controles bedoeld in artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000, worden uitgevoerd op basis van algemene informatie en ervaringsgegevens over illegaal verblijf van personen ter plaatse van de te houden controle als bedoeld in artikel 4.17a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, of dienen bij de uitvoering van dergelijke controles concrete aanwijzingen te bestaan dat een te controleren individuele persoon illegaal in de betreffende lidstaat verblijft?

b. Verzet artikel 21 van de Schengengrenscode zich ertegen dat een dergelijke controle wordt uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van de onder a bedoelde algemene informatie en ervaringsgegevens over illegaal verblijf, indien dit in beperkte mate gebeurt?

Vraag 3

Moet artikel 21 van de Schengengrenscode aldus worden uitgelegd dat met het inperken van de controlebevoegdheid op een wijze als omschreven in een wettelijke regeling als artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000, in voldoende mate is gewaarborgd dat een controle feitelijk niet het in artikel 21 van de Schengengrenscode verboden effect van een grenscontrole kan hebben?

2.1.2. Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader en de voor het punt van geschil relevante feiten wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2012, die hier in zoverre geacht wordt te zijn herhaald en ingelast.

2.1.3. In het arrest heeft het Hof de gestelde vragen als volgt geformuleerd:

38. Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 20 en 21 van verordening nr. 562/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, binnen een geografisch gebied van 20 kilometer vanaf de landgrens van een lidstaat met een andere staat die partij is bij de SUO, controles mogen uitvoeren ter verificatie of de staandegehouden personen voldoen aan de in de betrokken lidstaat toepasselijke voorwaarden voor legaal verblijf, wanneer deze controles zijn gebaseerd op algemene informatie en ervaringsgegevens over illegaal verblijf op de controlelocaties, wanneer deze ook in beperkte mate mogen worden verricht om dergelijke algemene informatie en ervaringsgegevens op dat gebied te verkrijgen en wanneer aan de uitoefening van deze controles bepaalde beperkingen zijn gesteld, onder meer ten aanzien van de intensiteit en de frequentie ervan."

2.1.4. Het Hof heeft de vraag of de Schengengrenscode zich verzet tegen een nationale regeling betreffende MTV-controles als hier aan de orde, ontkennend beantwoord. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

53. Dienaangaande regelt artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 dat de afschaffing van het grenstoezicht aan de binnengrenzen geen afbreuk doet aan de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles, en dat dit ook geldt in de grensgebieden.

54. Deze bepaling van verordening nr. 562/2006 regelt nader dat met name niet kan worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect als de uitvoering van grenscontroles heeft, wanneer de politiële maatregelen zijn gebaseerd op algemene politie-informatie en -ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en met name bedoeld zijn ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, wanneer zij worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen en wanneer zij op basis van controles ter plaatse worden uitgevoerd.

55. Ten aanzien van controles als de MTV-controles op grond van artikel 50, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, die conform de eisen van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden uitgevoerd, moet met name worden overwogen dat zij niet "aan de grenzen" of op het moment van de grensoverschrijding worden uitgevoerd, maar binnen het nationale grondgebied (zie in die zin arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 68 [arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C-188/10 en C-189/10, Jurispr. blz. I-5667].

56. Hieruit volgt dat, anders dan de Tsjechische regering beweert, deze controles geen krachtens artikel 20 van verordening nr. 562/2006 verboden grenscontroles vormen, maar controles binnen het grondgebied van een lidstaat als bedoeld in artikel 21 van genoemde verordening.

57. Vervolgens dient te worden onderzocht of controles binnen het grondgebied die worden gepland en uitgevoerd zoals de MTV-controles, in ieder geval krachtens artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 verboden zijn. Dit zou het geval zijn indien genoemde controles feitelijk hetzelfde effect hebben als grenscontroles (arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 69).

58. Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat artikel 50, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000 voorziet in controles die specifiek in de grensgebieden worden verricht en in controles die op de rest van het grondgebied worden verricht. Volgens de informatie in het aan het Hof overgelegde dossier, die tijdens de terechtzitting is verduidelijkt, volgt dat, hoewel deze beide controles hetzelfde doel van bestrijding van illegaal verblijf hebben, de controles buiten het grensgebied gebaseerd moeten zijn op een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. In het kader van de MTV-controles die overeenkomstig artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden verricht, mogen personen staande worden gehouden op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding en zonder dat van een dergelijk vermoeden sprake is.

59. Wat in de eerste plaats de door de Nederlandse regeling over MTV-controles nagestreefde doelstelling betreft, moet eraan worden herinnerd dat artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 bepaalt dat de uitoefening van de politiebevoegdheid met name niet kan worden gesteld hetzelfde effect als grenscontroles te hebben wanneer aan een of meerdere van de daarin opgenomen voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde in punt i die inhoudt dat de politiële maatregelen geen grenstoezicht tot doel mogen hebben.

60. In de onderhavige zaak blijkt uit de aan het Hof overgelegde gegevens, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, dat de door de MTV-controles nagestreefde doelstellingen zich op bepaalde essentiële punten onderscheiden van de grenscontroles.

61. Ingevolge artikel 2, punten 9 tot en met 11, van deze verordening wordt met de grenscontroles beoogd, zekerheid te verkrijgen dat de personen het grondgebied van de lidstaat mogen binnenkomen dan wel verlaten, en voorts te voorkomen dat personen zich aan deze controles onttrekken (zie arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 71). Het betreft controles die systematisch mogen worden uitgevoerd.

62. De controles als voorzien in de Nederlandse regeling beogen daarentegen om de identiteit, de nationaliteit en/of de verblijfsrechtelijke positie van de staandegehouden persoon te verifiëren, hoofdzakelijk ter bestrijding van illegaal verblijf. Het betreft selectieve controles die ertoe strekken om personen die zich in een illegale situatie bevinden op het spoor te komen en om illegale immigratie te ontmoedigen, waarbij de door deze controles beoogde doelstelling op het gehele Nederlandse grondgebied wordt nagestreefd, ook al is er in de grensgebieden in bijzondere uitvoeringsbepalingen voor de controles voorzien.

63. Ingevolge artikel 21, sub c, van verordening nr. 562/2006 doet de afschaffing van het toezicht aan de binnengrenzen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de lidstaten, in hun nationale recht in een verplichting tot het houden, het dragen en het tonen van titels en documenten te voorzien, en dus in identiteitscontroles om ervoor te zorgen dat deze verplichting worden nageleefd (zie in die zin arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 71).

64. Het feit dat de identiteitscontroles op grond van artikel 50, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, die overeenkomstig artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden uitgevoerd, er hoofdzakelijk toe strekken om illegaal verblijf na grensoverschrijding te bestrijden en dat artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 niet uitdrukkelijk op deze doelstelling ziet, houdt evenmin in dat sprake is van een met deze laatste bepaling strijdige doelstelling van grenstoezicht.

65. Zoals de Nederlandse regering en de Commissie met name te kennen hebben gegeven, bevat genoemde bepaling geen uitputtende lijst van voorwaarden waaraan de politiële maatregelen moeten voldoen om te worden geacht niet eenzelfde effect als dat van grenscontroles te hebben, en ook geen uitputtende lijst van doelstellingen die deze politiële maatregelen mogen nastreven. Deze uitlegging wordt bevestigd door het gebruik van de woorden "met name" in artikel 21, sub a, tweede volzin, van verordening nr. 562/2006 en sub a-ii, van dat artikel.

66. Noch artikel 79, leden 1 en 2, sub c, VWEU - dat bepaalt dat de Unie een gemeenschappelijk immigratiebeleid ontwikkelt, dat erop gericht is te zorgen voor, onder meer, preventie van clandestiene immigratie en illegaal verblijf - noch verordening nr. 562/2006 sluit daarnaast de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de strijd tegen illegale immigratie en illegaal verblijf uit, ook al is duidelijk dat zij hun wettelijke regelingen op dit gebied zodanig moeten inrichten dat de eerbiediging van het Unierecht wordt gewaarborgd (zie in die zin arrest van 6 december 2011, Achughbabian, C-329/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 30 en 33). De bepalingen van artikel 21, sub a tot en met d, van verordening nr. 562/2006 alsook de bewoordingen van artikel 72 VWEU bevestigen immers dat de afschaffing van het toezicht aan de binnengrenzen geen afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de openbare veiligheid.

67. Hieruit volgt dat de door de Nederlandse regeling nagestreefde doelstelling van de bestrijding van illegaal verblijf, niet met zich meebrengt dat de MTV-controles die in het hoofdgeding aan de orde zijn, eenzelfde effect als de bij artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 verboden grenscontroles hebben.

68. De eerbiediging van het Unierecht en met name de artikelen 20 en 21 van verordening nr. 562/2006, moet worden gewaarborgd door de invoering en de eerbiediging van een regelgevend kader dat waarborgt dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles in het kader van de strijd tegen illegaal verblijf, en overigens ook grensoverschrijdende criminaliteit die met clandestiene immigratie verband houdt, niet hetzelfde effect kan hebben als dat van grenscontroles (zie in die zin arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punten 73 en 74).

69. In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat het feit dat de territoriale werkingssfeer van de bij een nationale regeling toegekende controlebevoegdheden, zoals de Nederlandse regeling, beperkt is tot een grensgebied, op zich niet volstaat om vast te stellen dat de uitoefening van die bevoegdheden hetzelfde effect heeft in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006, gelet op de bewoordingen en de doelstellingen van dat artikel 21, sub a (arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 72). De eerste volzin van deze bepaling verwijst immers uitdrukkelijk naar de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties overeenkomstig de nationale wetgeving met inbegrip van de grensgebieden.

70. Het is juist dat het Hof ten aanzien van de controles op de wegen en vaarwegen heeft opgemerkt dat het feit dat de betrokken nationale regeling voorziet in bijzondere regels ten aanzien van de territoriale werkingssfeer ervan, een aanwijzing kan vormen dat wél sprake is van eenzelfde effect in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006. Bij een dergelijke aanwijzing moet de verenigbaarheid van die controles met laatstgenoemde bepaling echter worden gewaarborgd door preciseringen en beperkingen die het kader vormen voor de feitelijke uitoefening van de politiebevoegdheid waarover de lidstaten beschikken, welk kader zodanig moet zijn dat een dergelijk effect wordt voorkomen (zie in die zin arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 72).

71. In de derde plaats, en anders dan Adil en de Tsjechische regering stellen, leidt het feit dat de in een grensgebied verrichte MTV-controles niet afhangen van een voorafgaande vaststelling van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, in tegenstelling tot de identiteitscontroles die op dat gebied op de rest van het grondgebied worden verricht, er niet toe dat de eerste van die controles moeten worden geacht eenzelfde effect als dat van grenscontroles te hebben.

72. Volgens de bewoordingen van artikel 21, sub a-ii, van verordening nr. 562/2006 kunnen politiële maatregelen op basis van algemene politie-informatie en -ervaring over mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid immers niet worden gesteld een dergelijk effect te hebben.

73. Zoals volgt uit de opmerkingen van de Duitse regering, is bovendien het voorstel van de Commissie dat ertoe strekte dat de wijze van uitoefening en de doelstellingen van het door de lidstaten op hun grondgebied uitgeoefende toezicht steeds dezelfde moesten zijn, door de wetgever van de Unie niet overgenomen. Dat artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 geen voorwaarde bevat dat het politietoezicht in een grensgebied hetzelfde moet zijn als dat op het gehele nationale grondgebied, wordt ook bevestigd door het feit dat een dergelijke voorwaarde van identiteit uitdrukkelijk wel is opgenomen in dat artikel 21, sub b, voor veiligheidscontroles in havens en luchthavens.

74. Overigens heeft het Hof in punt 74 van het reeds aangehaalde arrest Melki en Abdeli reeds erkend dat een nationale wettelijke regeling aan de politieautoriteiten een bijzondere bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles die beperkt is tot een grensgebied mag toekennen, zonder met artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 in strijd te komen, vooropgesteld dat er bepaalde preciseringen en beperkingen worden vastgesteld en nageleefd.

75. Benadrukt moet evenwel worden dat hoe meer aanwijzingen er voor een mogelijk zelfde effect in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 526/2006 zijn, voortspruitend uit de doelstelling die door de in een grensgebied verrichte controles wordt nagestreefd, de territoriale werkingssfeer van deze controles en het bestaan van een verschillende grondslag voor genoemde controles en die welke op de rest van het grondgebied worden verricht, hoe strikter de preciseringen en beperkingen rond de uitoefening van de politiebevoegdheid van de lidstaten in een grensgebied moeten zijn en hoe strikter deze moeten worden nageleefd, om de doelstelling van de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen zoals opgenomen in artikel 3, lid 2, VEU en de artikelen 26, lid 2, VWEU en 67, lid 1, VWEU en voorzien in artikel 20 van verordening nr. 562/2006 niet in gevaar te brengen.

76. Het in dat verband vereiste kader moet voldoende nauwkeurig en gedetailleerd zijn, zodat zowel de noodzaak van de controles als de concreet toegestane controlemaatregelen zelf ook aan controles kunnen worden onderworpen.

77. Ten aanzien van dit vereiste van een kader, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat de MTV-controles, zoals volgt uit de punten 60 tot en met 67 van het onderhavige arrest, geen grenstoezicht tot doel hebben.

78. In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de MTV-controles, overeenkomstig artikel 21, sub a-ii, van verordening nr. 562/2006, gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring over illegaal verblijf na grensoverschrijding. De politiële maatregelen met het oog op de bestrijding van illegaal verblijf kunnen, ongeacht of zij vallen onder het begrip openbare orde of dat van openbare veiligheid, zoals volgt uit punt 65 van het onderhavige arrest, onder de voorschriften van die bepaling worden gebracht. De verplichting om de MTV-controles op dergelijke informatie en ervaringsgegevens te baseren, zou bovendien moeten bijdragen tot de selectiviteit van de verrichte controles.

79. In de derde plaats worden de MTV-controles, overeenkomstig artikel 21, sub a-iii, van verordening nr. 562/2006, uitgevoerd op een wijze die duidelijk verschilt van systematische controles van personen aan de buitengrenzen van de Unie.

80. De MTV-controles op wegen en vaarwegen in het gemeenschappelijk grensgebied met België en Duitsland mogen immers, krachtens artikel 4.17a, lid 5, van het Vreemdelingenbesluit 2000, slechts worden uitgevoerd gedurende een beperkt aantal uren per maand en per dag en slechts ten aanzien van een deel van de passerende vervoermiddelen op deze wegen en vaarwegen.

81. Bovendien volgt uit de door de Nederlandse regering overgelegde informatie, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, dat de controles in de praktijk worden verricht op basis van hetzij profielen, hetzij steekproeven. De profielen hangen af van informatie of gegevens die wijzen op verhoogde risico’s op illegaal verblijf en grensoverschrijdende criminaliteit op bepaalde routes, op bepaalde tijdstippen of naargelang het type vervoermiddel en overige kenmerken ervan.

82. De preciseringen en beperkingen die bij een nationale regeling als die van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn ingevoerd als randvoorwaarden voor de intensiteit, de frequentie en de selectiviteit van de controles die mogen worden verricht, zijn dusdanig dat zij voorkomen dat de feitelijke uitoefening van de in het Nederlandse recht toegekende politiebevoegdheid, in strijd met artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006 leidt tot controles die eenzelfde effect hebben als grenscontroles.

83. Ten aanzien van de controles die worden uitgevoerd om informatie over illegaal verblijf na grensoverschrijding te verkrijgen, is in artikel 4.17a, lid 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaald dat deze "informatiecontroles" slechts in beperkte mate mogen worden uitgevoerd.

84. In antwoord op een tijdens de terechtzitting gestelde vraag hebben de Nederlandse regering en de Commissie nader uiteengezet dat deze "informatiecontroles" ook de preciseringen en beperkingen moeten naleven die in het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn opgenomen nadat het reeds aangehaalde arrest Melki en Abdeli was gewezen. De Commissie heeft onder meer gepreciseerd dat deze controles moeten voldoen aan de beperkingen die aan de duur daarvan zijn gesteld bij artikel 4.17a, lid 5, van het Vreemdelingenbesluit 2000, te weten ten hoogste 6 uur per dag en 90 uur per maand. Bovendien mogen er niet meer van deze controles worden verricht dan de MTV-controles die voorwerp zijn van de tweede prejudiciële vraag, sub a.

85. Daar de nationale rechter als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, staat het aan hem om na te gaan of dit het geval is.

86. Op voorwaarde dat deze beide typen van MTV-controles met inachtneming van het kader als voorzien in artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden uitgevoerd, moet worden opgemerkt dat zij op selectieve wijze plaatsvinden, zodat zij het voor grenscontroles kenmerkende bestanddeel van systematische controles ontberen, en dat het politiële maatregelen betreft die steekproefsgewijs ter plaatse worden toegepast, zoals vereist bij artikel 21, sub a-iv, van verordening nr. 562/2006.

87. In die omstandigheden moet worden opgemerkt dat, op basis van de inlichtingen waarover het Hof beschikt, een nationale regeling als de Nederlandse regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, preciseringen en beperkingen bevat ten aanzien van de politiebevoegdheid die daarbij aan de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat wordt toegekend. Op basis van deze preciseringen en beperkingen kunnen bovendien randvoorwaarden worden gesteld voor de intensiteit en de frequentie van de controles die door deze instanties in het grensgebied mogen worden uitgevoerd, en zij beogen de discretionaire bevoegdheid te sturen waarover laatstgenoemde bij de feitelijke uitoefening van hun bevoegdheid beschikken.

2.1.5. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen, op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

2.1.6. Gelet op hetgeen het Hof in de punten 71 tot en met 73 van het arrest heeft overwogen moet met betrekking tot de in grief 2 opgeworpen klacht dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden geconcludeerd dat, bezien vanuit het Unierecht, voor het uitvoeren van een MTV-controle in het grensgebied de aanwezigheid van een zodanig vermoeden niet is vereist.

2.1.7. Uit onder meer de punten 75 en 76 van het arrest van het Hof volgt dat, indien er aanwijzingen zijn dat een controle in een grensgebied, zoals een MTV-controle, eenzelfde effect kan hebben als een grenscontrole, de uitoefening van de controlebevoegdheid in een wettelijk kader dient te zijn gepreciseerd en beperkt ter voorkoming van dat effect, en dat deze preciseringen en beperkingen strikt dienen te worden nageleefd. Ten aanzien hiervan overweegt de Afdeling, mede gelet op punt 85 van het arrest, het volgende.

2.1.8. Blijkens het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 28 maart 2012 is de vreemdeling, die stelt afkomstig te zijn uit Afghanistan, op die dag tijdens een MTV-controle krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 staande gehouden als passagier van een voertuig voorzien van een Duits kenteken. De staandehouding heeft plaatsgevonden op de Rijksweg A67/E34, op het baanvak komende vanuit Duitsland, in de gemeente Venlo. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2012 is onder meer aangegeven dat de controle overeenkomstig artikel 4.17a, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 is uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding, dat de staandehouding heeft plaatsgevonden binnen een zone van twintig kilometer vanaf de landsgrens met Duitsland, dat in de maand maart op de desbetreffende locatie een of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 54 uur en 38 minuten, dat op de desbetreffende locatie op 28 maart 2012 een of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 1 uur en dat tijdens deze controle daadwerkelijk 2 vervoermiddelen zijn stilgehouden, zijnde een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Hieruit blijkt genoegzaam dat voormelde wettelijke voorschriften zijn nageleefd en dat de staandehouding van de vreemdeling heeft plaatsgevonden in het grensgebied.

Nu de vreemdeling geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die op het tegendeel wijzen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het instellen van een nader onderzoek en heeft zij terecht geoordeeld dat de staandehouding rechtmatig was.

Grief 2 faalt derhalve.

2.2. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bij het bestreden besluit de vreemdeling in het belang van de openbare orde en met het oog op zijn uitzetting in bewaring heeft mogen stellen, en dat de vreemdeling de gronden van de bewaring niet heeft bestreden.

Daartoe betoogt de vreemdeling dat hij de gronden van de maatregel in zijn algemeenheid heeft bestreden en heeft aangegeven zich niet met het opleggen van de maatregel te kunnen verenigen. Onder die omstandigheden had het in de rede gelegen dat de rechtbank alle gronden had getoetst. Zij kon voorts niet zonder nadere motivering volstaan met de constatering dat de vreemdeling gezien de gronden in bewaring kon worden gesteld. Naar de vreemdeling heeft gesteld heeft hij aangevoerd dat niet staande kan worden gehouden dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken, gelet op het moment waarop Nederland is ingereisd en het moment waarop hij is staande gehouden.

2.2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 bevat het hogerberoepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

2.2.2. Vastgesteld wordt dat uit de gedingstukken, waaronder de zittingsaantekeningen van de rechtbank, niet kan worden afgeleid dat de vreemdeling de gronden van de bewaring in beroep heeft bestreden. De enkele stelling in het beroepschrift dat hij zich niet met de maatregel kan verenigen is daartoe niet voldoende.

Hetgeen de vreemdeling in hoger beroep ten aanzien van het onttrekken aan het toezicht heeft aangevoerd heeft hij niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht.

Aldus is geen sprake van een grief in de zin van artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000.

2.3. In grief 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, eraan voorbij is gegaan dat in zijn geval eerder een claim op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening) had kunnen worden verzonden, nu reeds bij de inbewaringstelling duidelijk was dat hij aan Noorwegen kon worden 'gelinkt'.

Uit de gedingstukken blijkt dat de vreemdeling na zijn staandehouding heeft aangegeven een asielaanvraag in Nederland te willen indienen. Volgens het proces-verbaal van staandehouding van 28 maart 2012 is uit raadpleging van Eurodac naar voren gekomen dat de vreemdeling eerder in Noorwegen een asielaanvraag heeft ingediend. Op 29 maart 2012 zijn de stukken voor het indienen van een claim op grond van de Dublinverordening naar het Bureau Dublin gezonden. Op 3 april 2012 is met de vreemdeling een vertrekgesprek gevoerd. De claim is vervolgens op 5 april 2012 aan de Noorse autoriteiten gezonden. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de minister niet voortvarend genoeg heeft gehandeld.

De grief faalt.

2.4. Hetgeen de vreemdeling in grief 4 betoogt aangaande de voortvarendheid waarmee zijn asielaanvraag is behandeld kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

Het betoog dat de minister gelet op de asielaanvraag een lichter middel had moeten opleggen heeft de vreemdeling niet eerder in beroep aangevoerd, zodat in zoverre geen sprake is van een grief in de zin van artikel 85 van de Vw 2000.

Grief 4, voor zover als grief aan te merken, faalt derhalve evenzeer.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bakker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012

393.