Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201110586/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BX1999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft de voorzitter van het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe de gelegenheid te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110586/1/A3.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2011 in zaak nr. 11/2785 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft de voorzitter van het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe de gelegenheid te bieden.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 25 oktober 2010 bekrachtigd.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] tegen het besluit van 25 oktober 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door [straatpastor] bij de Protestantse Diaconie Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. Ugur, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de APV) kan het bevoegde bestuursorgaan een vergunning of ontheffing weigeren ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, is het verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

Ingevolge het tweede lid kan het college van dit verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2.2. [appellant] verbleef al enige tijd zonder ontheffing in een tent in het Westerpark. Tegen hem was door de politie al meerdere malen proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van artikel 2.20, eerste lid, van de APV. Teneinde dit in de toekomst te voorkomen heeft [appellant] ontheffing aangevraagd van het verbod neergelegd in artikel 2.20, eerste lid, van de APV. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij in het Westerpark wil wonen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren hem ontheffing te verlenen. De door het dagelijks bestuur aangevoerde argumenten zijn in het algemeen van toepassing, maar gelden niet in dit specifieke geval. Het dagelijks bestuur heeft de locatie waar hij verbleef niet onderzocht. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat verlening van ontheffing in strijd zou zijn met de doelstellingen van het verbod neergelegd in artikel 2.20, eerste lid, van de APV, maar welke doelstellingen dat zijn is onduidelijk. Daarnaast werd de situatie al langere tijd gedoogd, zodat de door het dagelijks bestuur vermeende overlast zich kennelijk niet voordeed. Bovendien had zijn tent geen aanzuigende werking. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij acht tot tien jaar zonder problemen in het Westerpark heeft gewoond. Voor daklozen is in het centrum van Amsterdam geen plaats. Daarom heeft hij gekozen voor verblijf op een afgelegen terrein en het is dan ook onbegrijpelijk dat voor hem geen uitzondering op het verbod neergelegd in artikel 2.20, eerste lid, van de APV kan worden gemaakt, aldus [appellant].

2.3.1. Uit de toelichting bij artikel 2.20 van de APV volgt dat de centrale doelstellingen van het daarin neergelegde verbod zijn: het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico’s voor de volksgezondheid. Het dagelijks bestuur heeft op 1 maart 2011 de situatie van [appellant] ter plaatse bekeken en daarvan foto's gemaakt. Zoals het dagelijks bestuur bij de hoorzitting voor de bezwaaradviescommissie en ter zitting bij de rechtbank heeft uiteengezet en zoals ook volgt uit de foto's, is geconstateerd dat [appellant] vuur stookte in zijn geïmproviseerde slaapplaats en dat de omgeving vol lag met afval. Tevens is geconstateerd dat ter plaatse sanitaire voorzieningen en schoon drinkwater ontbraken. In beroep heeft het dagelijks bestuur bovendien te kennen gegeven dat de slaapplaats van [appellant] een aanzuigende werking had, aangezien in het Westerpark inmiddels ook andere personen in tenten verbleven.

Gelet op het vorenstaande, heeft het dagelijks bestuur de situatie van [appellant] voldoende onderzocht en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft mogen stellen dat verlening van ontheffing in strijd zou zijn met de doelstellingen van het verbod neergelegd in artikel 2.20, eerste lid, van de APV. Voor zover [appellant] betoogt dat niet duidelijk is over welke doelstellingen het gaat, wordt overwogen dat die doelstellingen onder meer staan vermeld in de motivering van het besluit van 3 mei 2011. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn situatie al lange tijd werd gedoogd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] bij de aanvraag om ontheffing te kennen heeft gegeven dat de politie hem meerdere malen een boete heeft opgelegd voor het overtreden van artikel 2.20, eerste lid, van de APV. Voorts heeft het dagelijks bestuur zich, gezien het vorenstaande, op het standpunt mogen stellen dat de slaapplaats van [appellant] een aanzuigende werking had. Gelet op artikel 2.20, eerste en tweede lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 1.5, eerste lid, van de APV heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen weigeren aan [appellant] ontheffing te verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Nu het hoger beroep ongegrond is, wordt het door [appellant] ingediende verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

582-730.