Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201113158/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2011 heeft de deelraad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113158/1/R1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Amsterdam, en anderen (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Oost,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2011 heeft de deelraad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 januari 2012.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2012, waar [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellante sub 2B] en de deelraad, vertegenwoordigd door mr. A.E. Jansen en mr. H. Pals, beiden werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de verplaatsing van het [woonschip] aan de [locatie 2] naar de [locatie 1]. Daarnaast wordt voor het woonschip aan de [locatie 3] de bestaande maatvoering vastgelegd.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D], niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] vanuit een algemeen belang beroep hebben ingesteld als bewoner van stadsdeel Oost en niet als omwonenden die zicht hebben op het plangebied. Hierdoor onderscheiden zij zich volgens de deelraad niet van andere inwoners, zodat niet kan worden gezegd dat zij een persoonlijk belang hebben.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] op het perceel [locatie 4] en het plandeel met de bestemming "Water (WA)" voor de ligplaats aan de [locatie 3] bedraagt ongeveer 18 m. Vast staat dat zij zicht hebben op voornoemde ligplaats. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel is dat [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] een rechtstreeks betrokken belang hebben bij voornoemd plandeel en derhalve kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Inhoudelijk

2.3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Water (WA)" met de aanduiding "specifieke vorm van water - afwijkende maat woonschip (swa-amw)" voor de ligplaats aan de [locatie 1]. Hij betoogt dat het plan niet ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekt, maar enkel en alleen tot nakoming van een verplaatsingsovereenkomst.

2.3.1. Vast staat dat op 28 april 2010 tussen het voormalige stadsdeel Zeeburg en [appellante sub 2B en [appellant sub 2A] een verplaatsingsovereenkomst is gesloten waarin is overeengekomen dat het voormalige stadsdeel Zeeburg medewerking verleent aan verlening van een ligplaatsvergunning voor de ligplaats [locatie 1]. Verder is overeengekomen dat het voormalige stadsdeel Zeeburg met de daarvoor geldende procedure(s) zal besluiten tot de benodigde wijziging van het bestemmingsplan voor het met de [woonboot] kunnen innemen van de ligplaats [locatie 1].

Niet in geschil is dat voornoemde verplaatsingsovereenkomst aan het plan ten grondslag ligt. Deze verplaatsingsovereenkomst staat echter los van de vraag of het plan voorziet in een goede ruimtelijke ordening en ook overigens in overeenstemming is met het recht. In het kader van de besluitvorming dient onder meer te worden getoetst of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, in welk kader alle ruimtelijke relevante belangen dienen te worden meegewogen. In de inhoudelijke weerlegging van de ingediende zienswijzen in de Nota van Beantwoording heeft de deelraad de belangen afgewogen. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze afweging ontoereikend is geweest en evenmin dat de verplaatsingsovereenkomst daarvoor een beletsel is geweest.

2.3.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.4. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Water (WA)" voor de ligplaats aan de [locatie 3], voor zover bij de vaststelling van het plan aan deze ligplaats de functieaanduiding "specifieke vorm van water - afwijkende maat woonschip (swa-amw)" is toegekend. Zij betogen allereerst dat in strijd met het onherroepelijke besluit op bezwaar van het dagelijks bestuur van het voormalige stadsdeel Zeeburg van 23 september 2008 en met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2010, zaak nrs. AWB 08/3929 GEMWT en AWB 09/1982 GEMWT, de maatvoering van het woonschip van [appellant sub 1] aan de [locatie 3] overeenkomstig de feitelijke situatie is bestemd, terwijl in het besluit op bezwaar en in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam staat dat [appellant sub 1] zijn woonschip moet aanpassen aan de maten uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Borneo, Sporenburg en Rietlanden" (hierna: het voorheen geldende plan). [appellant sub 1] heeft dit volgens [appellant sub 2] en anderen ook toegezegd te zullen doen, maar is deze toezegging ten onrechte niet nagekomen. Verder betogen zij dat de verleende vervangingsvergunning had moeten worden geweigerd of moeten worden ingetrokken, nu het woonschip van [appellant sub 1] niet is aangepast aan de maten uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Ten slotte betogen [appellant sub 2] en anderen dat het woonschip aan de [locatie 3] niet onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan valt, zodat het onderhavige plan niet gewijzigd vastgesteld had hoeven te worden.

2.4.1. Blijkens de verbeelding is aan de ligplaats aan de [locatie 3] de bestemming "Water (WA)" met de functieaanduiding "specifieke vorm van water - afwijkende maat woonschip (swa-amw)" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Water (WA)" onder meer bestemd voor ligplaatsen voor uitsluitend schepen vallend onder de categorie woonschip.

Ingevolge lid 3.3.2, onder a, b en c, bedraagt de maximumlengte van een woonschip 40 m, de maximumbreedte 6 m en de maximumhoogte 3 m, met dien verstande dat over maximaal 40% van de lengte als bedoeld onder b een hoogte van 5 m is toegestaan.

Ingevolge lid 3.3.2, onder d, is in afwijking van het bepaalde onder c ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - afwijkende maat woonschip (swa-amw)" een woonschip toegestaan waar over maximaal 66% van de lengte van het woonschip een hoogte van 5 m is toegestaan.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat het als zodanig bestemmen van het woonschip aan de [locatie 3], ongeacht de vraag of de bestaande maatvoering van dit woonschip onder het voorheen geldende plan legaal was, gerechtvaardigd kan zijn. Hiertoe dienen in het kader van het nu voorliggende plan alle betrokken belangen te worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plandeel met de functieaanduiding in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van water - afwijkende maat woonschip (swa-amw)" aan de [locatie 3] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt van belang geacht dat ten behoeve van het woonschip aan de [locatie 1] eveneens deze functieaanduiding is toegekend, zodat de maximaal toegestane hoogte van het woonschip aan de [locatie 3] niet daarvan afwijkt. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat tegen de hoogteregeling voor het woonschip aan de [locatie 3] uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening overwegende bezwaren bestaan. Verder is ter zitting door de deelraad aangegeven dat het gaat om een geringe afwijking van de op grond van het voorheen geldende plan maximaal toegestane hoogtemaat. Gelet hierop heeft de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht niet ernstig zal worden beperkt en de gevolgen voor de omgeving niet groot zullen zijn.

2.4.3. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

634.