Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3905

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201104691/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2010, voor zover thans van belang, heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Wijdewormer.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/125 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5195

Uitspraak

201104691/1/A4.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2010, voor zover thans van belang, heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Wijdewormer.

Bij besluit van 28 februari 2011 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 31 maart 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter verdere behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.P. Beemster, werkzaam bij de milieudienst Waterland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Ingevolge artikel 10.1, derde lid, is het een ieder verboden om bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Wijdewormer in strijd met artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bedrijfsmatige handelingen heeft verricht met betrekking tot afvalstoffen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Bij controlebezoeken op 5 juli 2010 en 18 augustus 2010 zijn volgens het college in de weilanden van [appellant] op de betrokken percelen rollen onverpakt bermmaaisel, afkomstig van bermen langs de A9, aangetroffen. Dat het om bermmaaisel van bermen langs de A9 ging, blijkt volgens het college uit verklaringen van Zuurmond Groen B.V., die deze bermen in opdracht van Rijkswaterstaat heeft gemaaid, en van de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de rollen bermmaaisel zijn afgevoerd naar de percelen van [appellant]. Volgens het college is het bermmaaisel een afvalstof en is het op de bodem brengen daarvan een bodembedreigende activiteit.

Bij het besluit van 4 oktober 2010 heeft het college [appellant] gelast de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer binnen vier weken na dagtekening van dit besluit te beëindigen. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 250,00 voor iedere week dat de overtreding na de begunstigingstermijn voortduurt, met een maximum van € 2.500,00.

2.3. [appellant] voert aan dat zich geen overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft voorgedaan, althans dat de omvang van deze overtreding niet voldoende door het college is aangetoond. Volgens [appellant] heeft hij slechts één partij bermmaaisel ontvangen. De overige balen die bij de controlebezoeken zijn aangetroffen, bestonden uit gras afkomstig van eigen land, aldus [appellant]. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van 25 maart 2011 in zaak nr. 201102077/1/M1, stelt [appellant] dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat alle aangetroffen balen uit bermmaaisel bestonden. [appellant] voert verder aan dat, voor zover zich al een overtreding heeft voorgedaan, deze ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom reeds definitief was beëindigd doordat het bermmaaisel aan zijn koeien is gevoerd.

2.3.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college aan de hand van de rapporten van de controlebezoeken op 5 juli 2010 en 18 augustus 2010 en de in overweging 2.2 genoemde verklaringen aannemelijk gemaakt dat [appellant] op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] bermmaaisel afkomstig van bermen langs de A9 bedrijfsmatig op de bodem heeft gebracht en dat de leverancier van dit bermmaaisel zich daarvan ontdeed of moest ontdoen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat het bermmaaisel als een afvalstof moet worden aangemerkt. Het standpunt van het college dat het op de bodem brengen van deze afvalstof een bodembedreigende activiteit is, is als zodanig door [appellant] niet betwist. Gelet hierop heeft het college terecht geoordeeld dat zich een overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft voorgedaan. Er bestond geen noodzaak voor het college om in dit verband precies vast te stellen om hoeveel balen bermmaaisel het ging.

Met zijn enkele, niet nader onderbouwde stelling dat het bermmaaisel aan zijn koeien is gevoerd, heeft [appellant] verder niet aannemelijk gemaakt dat de overtreding ten tijde van het nemen van het besluit van 4 oktober 2010 definitief was beëindigd.

Wat de verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van de voorzitter van 25 maart 2011 betreft, overweegt de Afdeling dat deze uitspraak betrekking heeft op besluiten van 31 januari 2011 tot oplegging van nieuwe lasten onder dwangsom aan [appellant] wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het oordeel van de voorzitter in deze uitspraak dat het college in het kader van de nieuwe handhavingsprocedure niet deugdelijk had gemotiveerd dat de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer in januari 2011 voortduurde, is niet relevant voor de huidige zaak. Ook als de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer na het besluit van 4 oktober 2010 zou zijn beëindigd, behoefde het college daarin geen aanleiding te zien om de bij dat besluit opgelegde last onder dwangsom bij het bestreden besluit in te trekken.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] stelt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

[appellant] heeft ter onderbouwing van deze grond volstaan met een verwijzing naar eerder door hem in deze handhavingsprocedure naar voren gebrachte standpunten, waaronder de stelling dat het bermmaaisel geschikt is om als veevoer te dienen. Hetgeen [appellant] aldus heeft aangevoerd, betreft geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] betwist verder de duur van de last en de hoogte van de dwangsom.

[appellant] heeft deze beroepsgronden niet met concrete argumenten onderbouwd. Gelet hierop, falen de beroepsgronden.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

462-742.