Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201200248/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft het college een aanvraag van [appellante] en [belanghebbende] om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens een sociaal medische indicatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200248/1/A2.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011 in zaak nr. 11/626 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft het college een aanvraag van [appellante] en [belanghebbende] om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens een sociaal medische indicatie afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het het door [appellante] en [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2011, verzonden op 12 december 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 10 en 14 mei 2012 daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat de behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verordening Wet Kinderopvang (hierna: de Verordening) beslist het college zo snel mogelijk na ontvangst van alle benodigde gegevens, maar uiterlijk acht weken na de dag, waarop de aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie is ingediend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, beslist het zo snel mogelijk na ontvangst van alle benodigde gegevens, maar uiterlijk acht weken na de dag, waarop de aanvraag om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is ingediend.

Volgens artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn kosten kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie 2008 (hierna: de Richtlijn) valt onder de doelgroep: de ouder die na 31 december 2007 gebruik gaat maken van kinderopvang en op grond van de wet geen aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten heeft, maar wel een sociaal medische indicatie, afgegeven door de jeugdarts van de GG&GD, waaruit de noodzaak voor kinderopvang blijkt.

Volgens artikel 8, aanhef en onder a, weigert het college de bijdrage in de kosten van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie, als de aanvrager niet tot de doelgroep behoort.

2.2. Op 13 juli 2010 hebben [appellante] en [belanghebbende] het college verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van de opvang van hun zoon op grond van een sociaal medische indicatie, omdat hun zoon mogelijk aan ADHD lijdt en zij beiden met lichamelijke en psychische klachten kampen. Hun zoon geniet buitenschoolse opvang, zodat zij worden ontlast, aldus de aanvraag.

Aan het besluit van 11 januari 2011 heeft het college ten grondslag gelegd dat [belanghebbende] tot die opvang in staat moet worden geacht. Hij behoort derhalve niet tot de doelgroep.

2.3. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, omdat zij het oordeel dat [belanghebbende] in staat is zijn zoon op te vangen door het college onvoldoende gemotiveerd achtte. Zij heeft de rechtsgevolgen van dat besluit echter in stand gelaten, omdat er een nader advies van de jeugdarts van de GG&GD (hierna: de arts) van 15 juni 2011 is dat [belanghebbende] in staat moet worden geacht zijn zoon na schooltijd op te vangen.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het door de arts verrichte onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest.

2.4.1. Gelet op de aard van de gestelde medische klachten, was de arts mede afhankelijk van medische gegevens van de behandeld huisarts en de neuroloog. Het was aan [appellante] en [belanghebbende] om deze gegevens, voor zover zij daartoe in staat waren, te verstrekken of te doen verstrekken. Zij hebben in dit verband slechts een brief van de neuroloog aan de huisarts overgelegd, waarin staat dat [belanghebbende] twee jaar daarvoor voor het laatst voor de behandeling van klachten bij de neuroloog is geweest. Voor het oordeel dat het nader advies van de arts zo gebrekkig is, dat de rechtbank ten onrechte op grond daarvan de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, biedt het aangevoerde reeds om die reden geen grond.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

362