Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201111114/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het college aan [belanghebbende], onder verlening van ontheffing van het bestemmingsplan "1e Herziening Schoonveld", lichte bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een stenen erfafscheiding op het perceel [locatie] te Vught (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken 2
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/825
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5192

Uitspraak

201111114/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Vught,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 september 2011 in zaak nr. 11/589 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het college aan [belanghebbende], onder verlening van ontheffing van het bestemmingsplan "1e Herziening Schoonveld", lichte bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een stenen erfafscheiding op het perceel [locatie] te Vught (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft het college, onder wijziging van het besluit van 6 augustus 2010, ontheffing van het bestemmingsplan "1e herziening BP Molenstraat e.o." verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een stenen erfafscheiding voor de naar de weg gekeerde bijbouwgrens op het perceel tot een hoogte van 2 m.

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 6 augustus 2010 en 27 oktober 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 september 2011, verzonden op 21 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met het hoger beroep in zaak nr. 201111113/1/A1 ter zitting behandeld op 16 mei 2012, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Deze wet voorziet in de samenvoeging van in verschillende wettelijke regelingen neergelegde stelsels van vergunningen en toestemmingen, waaronder het in de Woningwet neergelegde verbod tot bouwen zonder bouwvergunning. Hiervoor in de plaats is in de Wabo het verbod opgenomen tot het verrichten van daarin beschreven activiteiten zonder omgevingsvergunning.

2.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge het tweede lid is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a niet hoger dan 1 m, of

b niet hoger dan 2m, en

1º. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2º. achter de voorgevelrooilijn, en

3º. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II, voor zover thans van belang, wordt onder openbaar toegankelijk gebied verstaan: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

2.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201111113/1/A1, voorziet het bouwplan in een erfafscheiding van 2 m hoog. De erfafscheiding staat in een functionele relatie tot de woning op het perceel. De erfafscheiding is achter de voorgevelrooilijn gelegen, op meer dan 1 m afstand vanaf openbaar toegankelijk gebied. Anders dan onder de werking van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, is niet vereist dat een erf- of perceelsafscheiding alleen hoger mag zijn dan 1 m, indien gebouwd op meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn. De erfafscheiding grenst aan een brandgang die dient ter ontsluiting van de ernaast gelegen erven van de daar aanwezige percelen voor langzaam verkeer. Deze brandgang is niet aan te merken als openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Nu de erfafscheiding voldoet aan de eisen van artikel 2, twaalfde lid, van bijlage II, is voor de oprichting van de erfafscheiding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo vereist. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Nu voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 11 januari 2011 kan worden aangenomen, had de rechtbank moeten oordelen dat het procesbelang bij een beoordeling daarvan is vervallen. Voor de verhoging van de erfafscheiding is immers geen vergunning meer vereist.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 11 januari 2011 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 september 2011 in zaak nr. 11/589;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

531-702.