Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201200587/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college aanlegvergunning verleend aan de Stichting Het Zeeuwse Landschap (hierna: de stichting) voor de reconstructie van de opgevulde grachten op de locatie Smedekensbrugge te Aardenburg (hierna: het perceel), zoals aangegeven in het Beheerplan Wallen van Aardenburg van 19 mei 2009.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 3:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/208
JOM 2012/878
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5214

Uitspraak

201200587/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Aardenburg, gemeente Sluis,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 december 2011 in zaak nr. 11/2 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college aanlegvergunning verleend aan de Stichting Het Zeeuwse Landschap (hierna: de stichting) voor de reconstructie van de opgevulde grachten op de locatie Smedekensbrugge te Aardenburg (hierna: het perceel), zoals aangegeven in het Beheerplan Wallen van Aardenburg van 19 mei 2009.

Bij uitspraak van 22 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond (lees: gegrond) verklaard, het besluit van 25 november 2010 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2012, hoger beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2012, waar [4 appellanten] en het college vertegenwoordigd door B.J.P. de Bruijne en M. Bonnewel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de stichting, vertegenwoordigd door dr. G.J.C. Buth, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet volgens het "Beheerplan Wallen van Aardenburg" van 19 mei 2009 (hierna: het beheerplan) in een reconstructie van de ravelijngracht rondom Aardenburg. Als hoofddoelstelling in dit plan is gekozen voor de optimalisatie van de biotoop van de boomkikker. Daarnaast beoogt het beheerplan de verdedigingsfunctie van de stadswallen (beter) inzichtelijk te maken door een deel van de ravelijngrachten te reconstrueren. Ten derde heeft het beheerplan ten doel de wallen voor publiek open te stellen. De werkzaamheden voorzien in het opvullen van het verstoorde ravelijn met vrijgekomen grond. Boven op het ravelijn wordt struweel geplant en aan de buitenzijde hiervan zijn zomereiken voorzien. Door de aanplant worden het reliëf en de oude toegang volgens het beheerplan visueel versterkt. Daarnaast zal een wandelpad dat aansluit op de Akkerstraat worden aangelegd.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het bouwplan voorzien op gronden waar de bestemming "Cultuurmonument (CM)" op rust.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Cultuurmonument (CM)" aangewezen gronden bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle objecten, alsmede voor het behoud en versterking van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in bijgaande "Tabel aanlegvergunningen" met een A aangeduide werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge artikel 22, derde lid, onder 1, zijn werken en/of werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid slechts toelaatbaar indien hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, één of meer waarden en/of functies van de gronden, die het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Ingevolge artikel 22, derde lid, onder 2, hangt het al of niet verlenen van een aanlegvergunning af van de waarden van het betreffende gebied en de mate waarin deze gevoelig zijn voor de werkzaamheden (kwetsbaarheid). Het kan gaan om de biotische waarden (vegetatie en fauna), de abiotische waarden (bodemkundige waarden, geomorfologie, cultuurhistorische waarden als verkaveling), en de visueel-landschappelijke waarden (kenmerkende beplanting, openheid dan wel beslotenheid). Bij de afweging tussen het al of niet verlenen van de vergunning dienen de gevolgen voor de natuur- en landschapswaarden dus te worden bepaald. De vergunning kan worden verleend als geconcludeerd kan worden dat:

- de werkzaamheden leiden tot een versterking van de waarden van het gebied. Voorbeelden van werken die kunnen leiden tot versterking van de waarden zijn natuurbouwprojecten als schorverdedigingen, maaiveldverlagingen voor het herstel van vochtige duinvalleien, herstel van graslandheggen, enz;

- de werkzaamheden niet leiden tot verlies dan wel onevenredige aantasting van de waarden van het gebied.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten, nu het college geen ontwerpbesluit en de daarbij behorende gewaarmerkte tekeningen, staten van hoeveelheden en maten en een opsomming van de te verrichten werkzaamheden ter inzage heeft gelegd.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2008 in zaak nr. 200703114/1) dient in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals geregeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), een ontwerp van een besluit te worden opgesteld en moet daarvan mededeling worden gedaan op de wijze omschreven in de artikelen 3:11 en 3:12. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3:11 laat er geen twijfel over bestaan dat met de terinzagelegging van een ontwerp-besluit is beoogd dat het object van een uniforme openbare voorbereidingsprocedure een ontwerp van een besluit is waaruit de inhoud blijkt van de beslissing die het bestuursorgaan voornemens is te nemen.

2.3.2. Nu het college ervoor heeft gekozen afdeling 3.4 van de Awb toe te passen had het een ontwerp-besluit ter inzage moeten leggen. Vast staat dat het college de aanvraag om aanlegvergunning zonder ontwerp-besluit ter inzage heeft gelegd. De rechtbank heeft gelet hierop terecht het besluit van 25 november 2010 vernietigd. Voorts heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten, nu het college in de kennisgeving "Aanvraag reconstructie stadswallen Aardenburg", welke, naar niet in geschil is, is gepubliceerd op de website van de gemeente Sluis alsmede in enkele dag- en/of huis-aan-huisbladen, duidelijk heeft gemaakt waarop het plan betrekking heeft en in deze kennisgeving heeft vermeld dat het voornemens is medewerking te verlenen aan dit plan. Hierbij is van belang dat in de aanvraag is opgenomen waarin het plan voorziet. De aanvraag heeft met de daarbij behorende projectbeschrijving, het beheerplan en het archeologisch onderzoek van de stadswallen van Aardenburg ter inzage gelegen na de kennisgeving. Gelet op de kennisgeving, waarin ook is vermeld dat een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze kenbaar te maken als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat mogelijke derdebelanghebbenden door het niet ter inzage leggen van het ontwerp-besluit in hun belangen zijn geschaad. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] en anderen zienswijzen hebben ingediend waarin uitvoerig wordt ingegaan op de gevolgen van het plan, zodat voor hen duidelijk was dat het college wenste mee te werken aan realisering van het plan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het plan niet in strijd is met het bestemmingsplan, nu de werkzaamheden volgens hen niet leiden tot een versterking van het gebied. Zij voeren hiertoe aan dat het gebied onomkeerbaar wordt veranderd waarbij natuurwaarden verloren gaan, terwijl niet zeker is dat de boomkikker terugkomt. [appellant] en anderen verwijzen ter staving van dit betoog naar de in opdracht van het college uitgevoerde "Natuur- en landschapstoets inzake reconstructie wallen Aardenburg, gemeente Sluis" van Bosch Slabbers van 8 januari 2010.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat door de werkzaamheden de waarden van de gronden die het bestemmingsplan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden aangetast. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan bijdraagt aan het herstel van de historie van de vestingstad Aardenburg, dat de grondwerkzaamheden beperkt zijn tot de grachtentracés en dat het plan voorziet in een positief effect op de vegetatieontwikkeling binnen het gebied. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd omtrent de gevolgen voor de boomkikkerpopulatie bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot onevenredige schade voor de in het gebied te beschermen natuurwaarden. Anders dan [appellant] en anderen betogen eist het bestemmingsplan niet dat vast dient te staan dat door de werkzaamheden de natuurwaarden in het gebied worden versterkt. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende voorzieningen die voldoen aan de vereisten voor het creëren van een gunstig leefklimaat voor de boomkikker waardoor niet aannemelijk is dat de werkzaamheden nadelige gevolgen zullen hebben voor de boomkikkerpopulatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gesplitst behandelen van de deelgebieden Noord en Zuidoost het gevolg is van het feit dat de werkzaamheden voor het gebied Noord vallen onder de Monumentenwet waarvoor een ander toetsingskader geldt. Op de door Bosch Slabbers gemaakte kritische kanttekeningen is door het college, onder verwijzing naar de reacties van de stichting, mede gezien het vorenstaande voldoende gereageerd. Bovendien wordt opgemerkt dat het advies van Bosch Slabbers, voor zover dat betrekking heeft op het gebied dat buiten de wallen is gelegen, niet aan de orde is, nu werkzaamheden in dat gebied geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. Dat het beplantingsplan in overleg met [appellant] en anderen is aangepast naar aanleiding van hun zienswijzen waardoor meer waarde wordt gehecht aan de natuurwetenschappelijke waarden dan de cultuurhistorische waarden betekent evenmin dat de vergunde werkzaamheden leiden tot onevenredige schade van de ingevolge het bestemmingsplan te beschermen waarden voor het gebied. Bovendien heeft de stichting in haar brief van 23 december 2010 toegezegd dat het struweel, dat eveneens is voorzien in het beheerplan, eenmaal per vijf jaar zal worden teruggesnoeid tot 50 cm. Hierdoor blijven de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden in het gebied zichtbaar.

Het betoog faalt.

2.5. Het betoog van [appellant] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd heeft gehandeld met het fair-play-beginsel faalt. Gelet op de aanvraag was het voor [appellant] en anderen duidelijk waar het plan in voorzag, zodat van een misleidende presentatie door het college, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet is gebleken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012

374-700.