Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
201205339/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Diepenheim, herziening Deldensestraat 11" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205339/2/R1.

Datum uitspraak: 30 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te Diepenheim, gemeente Hof van Twente,

en

de raad van de gemeente Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Diepenheim, herziening Deldensestraat 11" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2012, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juli 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door J. Overbeek en G.B.J. Overbeek, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Woeste Wieven B.V., vertegenwoordigd door M.J. Diependaal en M. Buiter, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De raad betoogt dat een aantal indieners van het beroepschrift geen zienswijze heeft ingediend, dan wel op te grote afstand van het plangebied woont om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij het besluit van 27 maart 2012 te kunnen worden aangemerkt.

2.2.1. Vast staat dat in ieder geval [verzoeker] een zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend en als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in zoverre sprake zal zijn van een ontvankelijk beroep.

2.3. [verzoeker] en anderen richten zich tegen het plandeel met onder meer de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie", "Agrarisch met waarden" en "Bos" en onder meer de aanduidingen "congrescentrum" en "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" voor het perceel Deldensestraat 11. [verzoeker] en anderen beogen met hun verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van dit plandeel te voorkomen. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad niet heeft onderkend dat het in het plan voorziene congrescentrum, alsmede de verkeersproductie daarvan zullen leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van hun woningen en het nabijgelegen hondenpension.

2.3.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij akoestische onderzoeken heeft laten verrichten en dat hieruit volgt dat van onaanvaardbare geluidhinder geen sprake zal zijn.

2.3.2. In het rapport 'Erve Bonkert te Diepenheim, akoestisch onderzoek' van 13 februari 2012, opgesteld door Alcedo B.V. in opdracht van de raad, staat dat de berekende geluidsniveaus bij de woningen worden getoetst aan geluidsvoorschriften zoals opgenomen in het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim). Het inrichtingsgebonden verkeer is beoordeeld overeenkomstig de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire). Uit het onderzoek blijkt dat bij de woningen wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in het Barim en aan de etmaalwaarde in de circulaire, aldus het rapport.

In het rapport staat voorts dat voor het hondenpension geen geluidsvoorschriften gelden, aangezien dit geen geluidsgevoelige bestemming is. Uit het onderzoek blijkt dat, indien in analogie met het Barim zou worden getoetst, wordt voldaan aan de hierin opgenomen geluidsvoorschriften. Het hoogst optredende equivalente geluidsniveau vanwege inrichtingsgebonden verkeer in de dag-, avond- en nachtperiode bedraagt maximaal 46, 50 en 43 dB(A) (55 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt niet voldaan aan de etmaalwaarde van 50 dB(A), indien in analogie met de circulaire wordt getoetst, aldus het rapport. In het rapport staat ten slotte dat wordt geconcludeerd dat de effecten vanwege het inrichtingsgebonden verkeer ter plaatse van het hondenpension minimaal zullen zijn.

In het rapport 'Dierenhotel Markvelde te Diepenheim, akoestisch onderzoek' van 16 maart 2012, opgesteld door Alcedo B.V. in opdracht van de raad, staat dat met akoestische maatregelen het geluidsniveau in de dierenverblijven kan worden verlaagd, zodat de honden minder hinder hebben van het inrichtingsgebonden verkeer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de verbetering van het binnenniveau ten opzichte van de huidige situatie minimaal 8 dB bedraagt.

2.3.3. [verzoeker] en anderen hebben de stelling dat het congrescentrum en de podiumactiviteiten die hier zullen plaatsvinden overlast veroorzaken niet gemotiveerd. [verzoeker] en anderen hebben voorts de conclusies van de in 2.3.2 genoemde rapporten niet gemotiveerd betwist. De raad heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nu wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in het Barim, het congrescentrum en de podiumactiviteiten niet zulen leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen van [verzoeker] en anderen en het hondenpension.

De raad heeft zich voorts naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersproductie van het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen van [verzoeker] en anderen en het hondenpension. Zoals de raad terecht stelt, staat in de in 2.3.2 genoemde rapporten dat ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan de etmaalwaarde in de circulaire. Hoewel in de rapporten eveneens staat dat bij het hondenpension niet wordt voldaan aan de etmaalwaarde, leidt dit naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet tot een ander oordeel. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het dierenpension geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder betreft. Voorts heeft de raad zich niet ten onrechte, onder verwijzing naar de in 2.3.2 genoemde rapporten, op het standpunt gesteld dat de effecten van het inrichtingsgebonden verkeer ter plaatse van het hondenpension minimaal zullen zijn en dat met akoestische maatregelen het geluidsniveau in het hondenpension kan worden verlaagd. Hierbij heeft de raad van belang mogen achten dat, zoals ter zitting verklaard, de initiatiefnemer van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan het dierenpension heeft aangeboden het materiaal voor de akoestische maatregelen te leveren, op welk aanbod niet is ingegaan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich, naar het voorlopig oordeel van de voorzitter, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen van [verzoeker] en anderen en het dierenpension.

2.4. Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat op het plandeel met de bestemming "Bos" evenementen kunnen worden gehouden die tot geluidsoverlast zullen leiden, kan dit naar het voorlopig oordeel van de voorzitter evenmin slagen. Het plandeel met de bestemming "Bos" heeft een oppervlakte van ongeveer 2400 m², waardoor dit te klein is voor het houden van grootschalige evenementen. Ter zitting heeft de initiatiefnemer van de in het plan voorziene ontwikkelingen overigens toegelicht dat zij niet voornemens is om evenementen te gaan organiseren.

2.5. In hetgeen [verzoeker] en anderen overigens hebben aangevoerd, ziet de voorzitter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden.

2.6. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2012

523.