Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201007614/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het college op verzoek van KPE, met toepassing van de artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer, de voorschriften 4.3 en 5.1, verbonden aan de bij besluit van 8 augustus 2001 aan KPE verleende revisievergunning voor haar raffinaderij aan de Moezelweg 255 te Rotterdam-Europoort, gewijzigd en de voorschriften 5.7 en 5.8 aan deze vergunning verbonden. Dit besluit is op 29 juli 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007614/1/A4.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: Natuur en Milieu), gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum Europoort B.V. (hierna: KPE), gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het college op verzoek van KPE, met toepassing van de artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer, de voorschriften 4.3 en 5.1, verbonden aan de bij besluit van 8 augustus 2001 aan KPE verleende revisievergunning voor haar raffinaderij aan de Moezelweg 255 te Rotterdam-Europoort, gewijzigd en de voorschriften 5.7 en 5.8 aan deze vergunning verbonden. Dit besluit is op 29 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Natuur en Milieu bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college en KPE hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Natuur en Milieu heeft nadere stukken ingediend.

De behandeling van deze zaak is aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraken van 29 april 2009 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB 2001 L 309; ook wel de NEC-richtlijn genoemd).

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met de zaken met nrs. 200904323/1/A4 en 201006110/1/A4, ter zitting behandeld op 23 januari 2012, waar Natuur en Milieu, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Verras en ir. M.S. de Koning-van der Meulen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KPE, vertegenwoordigd door J.M. van der Steen, bijgestaan door mr. M.C. de Smidt, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord. Na de zitting zijn de onderhavige zaak en de zaken met nrs. 200904323/1/A4 en 201006110/1/A4 gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 4 april 2012, in zaak nr. 201007614/1/T1/A4; hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 juli 2010 te herstellen.

Bij besluit van 16 mei 2012, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2012, heeft het college het voorschrift 27.4 aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 verbonden.

Bij brieven van 30 mei 2012 zijn Natuur en Milieu en KPE in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het besluit van 16 mei 2012 naar voren te brengen.

Bij brief van 31 mei 2012 heeft Natuur en Milieu medegedeeld geen zienswijze over het besluit van 16 mei 2012 te zullen indienen.

Bij brief van 26 juni 2012 heeft KPE een zienswijze over het besluit van 16 mei 2012 ingediend. Deze zienswijze wordt aangemerkt als een beroep tegen het besluit van 16 mei 2012.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat met het besluit van 21 juli 2010 ten onrechte geen voorschrift ter beperking van het stoken van olie aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 is verbonden, zodat het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In de tussenuitspraak is het college opgedragen dit gebrek in het besluit van 21 juli 2010 binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak te herstellen.

2.2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 16 mei 2012 het voorschrift 27.4 aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 verbonden. Ingevolge dit voorschrift dienen alle stookinstallaties volledig gasgestookt te zijn, uitgezonderd fornuis 101-B. In fornuis 101-B mag 1,7 m3/uur olie gestookt worden voor maximaal 20 dagen per jaar. De gestookte olie mag maximaal 1 gewichtsprocent zwavel (1% w/w S) bevatten.

2.3. Het beroep van Natuur en Milieu is ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 16 mei 2012. Natuur en Milieu heeft echter in haar brief van 31 mei 2012 medegedeeld geen zienswijze over het besluit van 16 mei 2012 in te zullen indienen, omdat de inzet van olie voor energieopwekking hiermee volgens haar afdoende is beperkt. De Afdeling leidt hieruit af dat Natuur en Milieu tegen het besluit van 16 mei 2012 geen bezwaar heeft, zodat zij geacht wordt het van rechtswege ontstane beroep tegen dit besluit te hebben ingetrokken.

2.4. KPE heeft blijkens haar zienswijze over het besluit van 16 mei 2012 bezwaar tegen het bij dit besluit vastgestelde voorschrift 27.4. De Afdeling ziet aanleiding deze zienswijze aan te merken als een beroep tegen het besluit van 16 mei 2012.

2.4.1. KPE voert aan dat met voorschrift 27.4 het aantal dagen dat in fornuis 101-B olie mag worden gestookt ten onrechte wordt beperkt tot 20 per jaar. Hoewel zich in de praktijk tot nu toe niet de situatie voor heeft gedaan dat meer dan 20 dagen per jaar olie is gestookt, is daarmee niet gezegd dat er in de toekomst geen behoefte kan bestaan aan het vaker kunnen stoken met olie, aldus KPE. Volgens haar is het opnemen van deze beperking ook niet nodig ter bescherming van het milieu, gelet op de aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 verbonden voorschriften met emissieplafonds voor NOx, SO2 en stof, waarmee volgens haar wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. KPE voert verder aan dat de grondslag van de aanvraag van de revisievergunning van 8 augustus 2001 met het opnemen van deze beperking wordt verlaten.

2.4.2. De beperking in voorschrift 27.4 van het aantal dagen dat in fornuis 101-B olie mag worden gestookt tot maximaal 20 per jaar is in overeenstemming met de door KPE in haar zienswijze op het in deze zaak uitgebrachte deskundigenbericht verstrekte informatie over het gebruik van dit fornuis. Hetgeen KPE aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze beperking niet in redelijkheid, naast de voorschriften met emissieplafonds voor NOx, SO2 en stof, in voorschrift 27.4 heeft kunnen opnemen. Dat KPE de mogelijkheid wil behouden om in de toekomst meer dagen per jaar olie te kunnen stoken, is daarvoor onvoldoende. Voorts valt niet in te zien dat met het opnemen van deze beperking de grondslag van de aanvraag van de revisievergunning van 8 augustus 2001 wordt verlaten. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep van Natuur en Milieu tegen het besluit van 21 juli 2010 is, gelet op de tussenuitspraak, gegrond voor zover met dit besluit geen voorschrift ter beperking van het stoken van olie aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 is verbonden. Het besluit van 21 juli 2010 dient in zoverre te worden vernietigd. Het beroep van Natuur en Milieu tegen het besluit van 21 juli 2010 is, gelet op de tussenuitspraak, voor het overige ongegrond.

Het beroep van KPE tegen het besluit van 16 mei 2012 is ongegrond.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Natuur en Milieu tegen het besluit van 21 juli 2010 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 21 juli 2010, kenmerk 21042887/238500, voor zover daarmee geen voorschrift ter beperking van het stoken van olie aan de revisievergunning van 8 augustus 2001 is verbonden;

III. verklaart het beroep van de stichting Stichting Natuur en Milieu tegen dat besluit voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum Europoort B.V. tegen het besluit van 16 mei 2012 ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de stichting Stichting Natuur en Milieu in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achterhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de stichting Stichting Natuur en Milieu het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

628.