Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110080/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nuland Oost" (hierna: het plan), het gelijknamige gebiedsontwikkelingsplan en het exploitatieplan "Nuland Oost 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.13
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/816
BR 2012/134
M en R 2013/10

Uitspraak

201110080/1/R3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nuland, gemeente Maasdonk,

en

de raad van de gemeente Maasdonk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nuland Oost" (hierna: het plan), het gelijknamige gebiedsontwikkelingsplan en het exploitatieplan "Nuland Oost 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 15 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [belanghebbende], hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, en de raad, vertegenwoordigd door P.H.F.M. van Dongen en ing. L.A. Schoonen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Omvang van het geding

2.1. [appellant] heeft zijn beroep voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2" ter plaatse van de weg Schotsheuvel op de verbeelding van het plan, ingetrokken.

Het bestemmingsplan

Het plan

2.2. Het plan voorziet met een plandeel met de bestemming "Woongebied - Uit te werken" in een nieuw woongebied met ongeveer 275 woningen en daarnaast maakt het plan de herstructurering van een bestaand bedrijventerrein ten zuiden daarvan mogelijk. Voorts zijn enkele bestaande woningen in het plangebied als zodanig bestemd.

Het plangebied wordt begrensd door de Zandstraat in het noorden, de Schotsheuvel in het oosten, de Rijksweg in het zuiden en de bestaande bebouwing van de kern Nuland in het westen.

Overleg

2.3. [appellant] betoogt dat de buurtbewoners ten onrechte niet bij de totstandkoming van het plan zijn betrokken. Vanaf 2001 tot 2005 heeft overleg plaatsgevonden over het plan tussen het gemeentebestuur en de buurtbewoners, die zich hebben verenigd in een bewonersvereniging, maar daarna heeft het gemeentebestuur volgens [appellant] het overleg beëindigd.

2.3.1. Niet in geschil is dat voor zowel het ontwerp van het plan als het vastgestelde plan is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan. Voor zover [appellant] betoogt dat het gemeentebestuur met de buurtbewoners overleg had moeten voeren gedurende de totstandkoming van het plan, wordt overwogen dat overleg geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het ontbreken van dat overleg, wat daar verder van zij, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Alternatief

2.4. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor een alternatieve inrichting van het plangebied, die is neergelegd in het rapport "Revitalisering/herstructurering bedrijventerrein Maasdonk" van Oranjewoud van september 2001. Volgens [appellant] ging de voorkeur van de buurtbewoners naar die alternatieve inrichting uit.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad is ingegaan op de door [appellant] bedoelde alternatieve inrichting van het plangebied en heeft toegelicht dat daarvoor vanwege de uiteenlopende belangen van bedrijven en bewoners van de burgerwoningen geen eenduidige steun bij de direct betrokkenen aanwezig was, er geen bestuurlijk draagvlak binnen de gemeente bestond en dat ook de financiële haalbaarheid daarvan onzeker was. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het door [appellant] bedoelde alternatief onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Ontsluiting

2.5. [appellant] betoogt dat niet is voorzien in een goede ontsluiting van het plangebied. Hiertoe voert hij aan dat de weg Schotsheuvel niet geschikt is om als gebiedsontsluiting van het plangebied te fungeren. Het is daarom noodzakelijk dat in het noordelijke deel van het plangebied een gebiedsontsluiting wordt aangelegd, aldus [appellant].

2.5.1. In paragraaf 4.3.4 van de plantoelichting staat dat de hoofdontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de Rijksweg. Vanaf hier is in het westelijke deel van het bedrijventerrein een nieuwe doorsteek door het bedrijventerrein gemaakt, die tot in het hart van de woonwijk loopt en daar op een centrale groene plek uitkomt. Deze weg vormt dus zowel een ontsluiting van het bedrijventerrein als een ontsluiting van de voorziene woonwijk vanuit de zuidzijde. Voor een optimale ontsluiting van het bedrijventerrein is een tweede nieuwe ontsluitingsweg voorzien in het oostelijk deel van het bedrijventerrein. Deze weg vormt een nieuwe verbinding tussen de Industrieweg en de Rijksweg. Door de aanleg van deze tweede nieuwe ontsluitingsweg op het bedrijventerrein wordt het voor het (vracht)verkeer mogelijk om op het bedrijventerrein een ronde te maken, zonder dat daarbij gebruik hoeft te worden gemaakt van de Schotsheuvel, zo staat in de plantoelichting.

2.5.2. Het noordelijke deel van het plangebied bestaat grotendeels uit een plandeel met de bestemming "Woongebied - Uit te werken". Ten zuiden daarvan bevindt zich een bedrijventerrein, waar onder meer plandelen met de bestemming "Verkeer" zijn opgenomen. Het woongebied en het bedrijventerrein worden van elkaar gescheiden door een als zodanig bestemde weg en een plandeel met de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor gebiedsontsluiting(en).

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Woongebied - Uit te werken" aangewezen gronden onder meer bestemd voor (ontsluitings)wegen.

Ingevolge lid 7.2, aanhef en onder b, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming uit met inachtneming van onder meer het bepaalde dat het gebied in ieder geval wordt ontsloten vanaf de Industriestraat en de Zandstraat.

2.5.3. Met voormelde planregels is gewaarborgd dat in een uitwerkingsplan voor het uit te werken woongebied zal worden voorzien in ontsluitingswegen vanaf het woongebied naar de Industriestraat ten zuiden daarvan en naar de Zandstraat ten noorden daarvan. Voor de vrees van [appellant] dat geen gebiedsontsluiting voor het nieuwe woongebied zal worden aangelegd, bestaat daarom geen aanleiding.

Naast de hiervoor genoemde ontsluitingswegen op de Zandstraat en de Industriestraat, waarin een uitwerkingsplan voor het nieuwe woongebied zal voorzien, is in het plan met het plandeel met de bestemming "Verkeer" op het bedrijventerrein en het plandeel met de bestemming "Groen" ten noorden daarvan mogelijk gemaakt dat een hoofdontsluiting van het nieuwe woongebied naar de Rijksweg kan worden aangelegd. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het verkeer vanwege het nieuwe woongebied zal worden afgewikkeld via de hiervoor genoemde ontsluitingswegen, en niet via de Schotsheuvel, daarom aannemelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bij recht voorziene hoofdontsluiting over het bedrijventerrein een breedte van 16 m heeft, zodat de weg een ruime entree tot de nieuwe woonwijk kan vormen, alsmede dat de voorziene hoofdontsluiting dichter bij de aansluiting op de rijksweg A59 ligt dan de Schotsheuvel.

Woon- en leefklimaat

2.6. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarin niet is voorzien in een groenstrook die als buffer kan fungeren tussen zijn perceel [locatie] en de voorziene bedrijven ten westen daarvan. Hij wijst erop dat het voorheen geldende plan wel in een buffer voorzag. Hij voert aan dat zijn woon- en leefklimaat zal worden aangetast als de buffer zal verdwijnen. [appellant] vreest met name geluidsoverlast te ondervinden van een nabijgelegen recyclingbedrijf, dat in de huidige situatie al geluidsoverlast veroorzaakt. Volgens [appellant] is niet gegarandeerd dat dit bedrijf eind 2013 zal zijn verplaatst, zoals de raad stelt. Voorts wijst hij erop dat de raad het wel noodzakelijk acht om een groene buffer aan te leggen tussen het uit te werken woongebied en het bedrijventerrein vanuit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat bij die woningen. Ook worden de groenstroken aan de Ambachtstraat en de Rijksweg gehandhaafd. Voor zover de raad stelt dat een milieuzone van 30 m wordt aangehouden tussen zijn woning en de voorziene bedrijven, voert [appellant] aan dat een milieuzone vanaf zijn perceelgrens moet worden aangehouden. Ook betoogt hij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met illegale bouwwerken van een naastgelegen bedrijf, die tot aan zijn perceelsgrens staan.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] is gewaarborgd. Hij brengt naar voren dat in overeenstemming met de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) aanbevolen afstanden in het plan is voorzien in een afstand van 30 m tussen de woning van [appellant] en bedrijven, die behoren tot milieucategorie 3.1 of lager. Daarnaast zal het recyclingbedrijf van het bedrijventerrein verdwijnen, aldus de raad.

2.6.2. Aansluitend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie], voorziet het plan in plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein", waarvan sommige zijn voorzien van de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1", "bedrijven van categorie 3.1 uitgesloten" of "detailhandel volumineus".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven in de categorie 2 en 3.1, zoals vermeld in de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1" en ter plaatse van de aanduiding "bedrijven van categorie 3.1 uitgesloten" alleen bedrijven in de categorie 2, zoals vermeld in de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan; met dien verstande dat uitsluitend voor bedrijven die op het moment van terinzagelegging van het plan reeds tot een lagere of een hogere milieucategorie behoren dan blijkens hetgeen hiervoor is opgenomen is toegestaan, die lagere respectievelijk hogere milieucategorie eveneens als toelaatbaar geldt;

(…).

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, onder b, bedraagt voor de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" de oppervlakte van een bouwperceel niet meer dan 5.000 m2.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.5, aanhef en onder a, geldt voor gebouwen en bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1", in aanvulling op c.q. in afwijking van de bouwregels opgenomen in lid 3.2, onder 3.2.2 en 3.2.3, de bouwregel dat de oppervlakte van het bouwperceel niet meer bedraagt dan 1.500 m2.

2.6.3. De VNG-brochure geeft onder meer indicatieve afstanden tussen gemengde gebieden en bedrijven met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. In de VNG-brochure wordt een afstand van 30 m aanbevolen tussen woningen en bedrijven die tot milieucategorie 3.1 behoren, voor een zogenoemd gemengd gebied.

Uit de plantoelichting volgt dat voor de burgerwoningen op het bedrijventerrein is uitgegaan van de afstanden die in de VNG-Brochure worden aanbevolen voor een "gemengd gebied", in plaats van de afstanden die worden aanbevolen voor een "rustige woonwijk", gelet op de aanwezigheid van bedrijfslocaties in de directe nabijheid van deze woningen. In de plantoelichting staat dat bij de zonering van het bedrijventerrein rekening is gehouden met deze bestaande woningen. In een zone van 30 m rondom het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gebouwd, zijn bedrijven behorend tot milieucategorie 3.1 uitgesloten. Deze afstand is in overeenstemming met de afstand die in de brochure wordt aanbevolen tussen woningen en bedrijven in milieucategorie 3.1. Aan de achterzijde van de woningen aan de Schotsheuvel is een milieuzonering niet noodzakelijk in verband met de diepe achtertuinen van ongeveer 30 m, zo staat in de plantoelichting.

2.6.4. Op het bedrijventerrein is, deels op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1", een recyclingbedrijf gevestigd met meer dan 1.500 m² bebouwing, waarvan de bedrijfsactiviteiten behoren tot milieucategorie 4. De milieucontour van het bedrijf ligt over een groot deel van het uit te werken woongebied. Ook het perceel van [appellant] ligt binnen de milieucontour.

Om een verbetering van de milieukwaliteit in het noordelijke deel van het plangebied te bewerkstelligen om daar woningbouw mogelijk te kunnen maken, heeft de gemeenteraad een gebiedsontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet vastgesteld. In het gebiedsontwikkelingsplan is als voorgenomen maatregel in het gebied ten behoeve van een goede milieukwaliteit, als bedoeld in het tweede lid, onder b, van dat artikel, aangemerkt het beëindigen van de activiteiten van het recyclingbedrijf ter plaatse. Het bedrijf dient voor 31 december 2013 van het bedrijventerrein te zijn verdwenen. Daartoe zal de gemeente overgaan tot aankoop van het bedrijf, waartoe de raad bij besluit van 17 juni 2008 financiële middelen heeft vrijgemaakt voor de verwerving van het bedrijf met bedrijfsgronden, op basis waarvan de gemeente intensief overleg voert met de eigenaar van het bedrijf over de verwerving van zijn perceel. Desnoods zal de gemeente de Kroon verzoeken om een onteigeningsbesluit te nemen om het bedrijf te kunnen verwerven. Uitgangspunt is dat voor 2 juni 2011 onomkeerbaar vaststaat dat het bedrijf voor 31 december 2013 zal verdwijnen, omdat anders de provincie geen financiële middelen ter beschikking zal stellen voor de verplaatsing van het bedrijf, zo staat in het gebiedsontwikkelingsplan.

2.6.5. Vóór de vaststelling van het plan heeft de gemeente een koopovereenkomst gesloten met de eigenaar van de gronden waarop het recyclingbedrijf is gevestigd, met betrekking tot die gronden. In deze koopovereenkomst zijn boeteclausules opgenomen voor het geval het bedrijf niet per de overeengekomen datum van uiterlijk 31 december 2013 het bedrijventerrein zal hebben verlaten. Indien desondanks deze minnelijke verwerving van de gronden niet kan worden gerealiseerd, zou de gemeente overgaan tot onteigening van de gronden ter uitvoering van het bestemmingsplan, dat voorziet in een herstructurering van het bedrijventerrein en de voortzetting van het bedrijf ter plaatse niet mogelijk maakt, zoals ter zitting is vast komen te staan. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat inmiddels op 29 november 2011 de juridische eigendom van het perceel is overdragen aan de gemeente, waarbij is overeengekomen dat het voortgezet gebruik van de gronden voor de bedrijfsactiviteiten van het recyclingbedrijf is toegestaan, om niet, tot uiterlijk 31 december 2013. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de raad er bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat van [appellant] in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat de bedrijfsactiviteiten van het recyclingbedrijf op het bedrijventerrein worden beëindigd.

2.6.6. In de VNG-brochure staat dat als aanbevolen afstand geldt de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning. Voor het oordeel dat de raad in dit geval had moeten uitgaan van de afstand tussen de grens van het plandeel met de bestemming "Wonen" in plaats van de woning zelf, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft gesteld geen aanleiding.

In het voorheen geldende plan was ter plaatse van het perceel van [appellant] en de gronden ten westen daarvan één plandeel met de bestemming "Burgerwoning" opgenomen. In het voorliggende plan is de bestemming van de gronden ten westen van het perceel van [appellant] gewijzigd in een bedrijfsbestemming. Op de verbeelding gemeten bedraagt de kortste afstand tussen het bouwvlak ter plaatse van de woning van [appellant] tot aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" ongeveer 30 m, zodat ten aanzien van de voorziene bedrijven tot milieucategorie 3.1 aan de aanbevolen richtafstand wordt voldaan. De raad heeft in zoverre bij de vaststelling van het plan in overeenstemming met de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden gehandeld. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woning van [appellant].

2.6.7. Voor zover [appellant] wijst op een voorziene groenstrook tussen het bedrijventerrein en het uit te werken woongebied, wordt overwogen dat het uit te werken woongebied een nieuwe woonwijk zal worden, die als rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure kan worden aangemerkt, terwijl de woning van [appellant] een bestaande woning op een bestaand bedrijventerrein, in gemengd gebied, betreft. Daarnaast blijkt uit de plantoelichting dat de groenstrook niet alleen zal worden aangelegd ten behoeve van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen, maar ook om een groene overgangszone te creëren tussen de nieuwe woonwijk en het bedrijventerrein.

Voorts heeft de raad toegelicht dat ter plaatse van de Ambachtstraat een bestaande houtwal als zodanig is bestemd. De in het plan bestemde groenstroken bij de Rijksweg betreffen een groenstrook tussen woonpercelen en een weg en een groenstrook langs een weg. Niet is gebleken dat deze groenstroken dienen om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen bij woningen met het oog op de voorziene bedrijvigheid. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met zijn situatie.

Bouwmogelijkheden

2.7. [appellant] betoogt dat de omvang van zijn bouwvlak ten onrechte is verkleind ten opzichte van de omvang die in het voorheen geldende plan was opgenomen. Hij voert aan dat zelfs het vergunningvrij bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet meer mogelijk is op zijn perceel. Ook betoogt [appellant] dat de toegestane maximale bouwhoogten die voor zijn perceel gelden ten onrechte zijn beperkt in het voorliggende plan. [appellant] voert ook aan dat de bouwmogelijkheden voor zijn perceel niet overeenkomen met de door het gemeentebestuur geschetste beeldkwaliteit van de Schotsheuvel.

2.7.1. Ter plaatse van het perceel [locatie] is een plandeel met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, van de planregels mogen in of op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 6.2.2, hoofdgebouwen, gelden voor het bouwen de volgende regels:

a. per op de verbeelding aangegeven bouwvlak is slechts één hoofdgebouw toegestaan, (…);

b. bouwen is alleen toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;

(…);

Ingevolge lid 6.2.3, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, gelden voor het bouwen de volgende regels:

a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend op een afstand van minimaal 2 m achter de voorgevellijn worden gebouwd;

(…)

e. het gezamenlijke oppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen op de gronden gelegen op het zij- en achtererf buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 60 m2, met dien verstande dat minimaal 30 m2 van de gronden gelegen op het zij- en achtererf onbebouwd moeten blijven;

f. indien de oppervlakte van het zij- en achtererf, voor zover gelegen achter de voorgevellijn, meer bedraagt dan 200 m2 mogen de onder e genoemde maximale gezamenlijke oppervlakten van aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte boven die 200 m2, tot een maximum van 90 m2.

Ingevolge lid 6.2.4, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden voor het bouwen gelden de volgende regels:

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt

1. maximaal 2 m voor zover de erfafscheiding wordt gebouwd achter de voorgevellijn;

2. maximaal 1 m in de overige gevallen;

b. de bouwhoogte van tuinmeubilair, speelvoorzieningen en pergola's, voor zover gebouwd achter de voorgevellijn, bedraagt maximaal 3 m;

c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m;

(…).

2.7.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied zuidelijk deel herziening 1978" was ter plaatse van het perceel [locatie] op plankaart 1 een plandeel met de bestemming "Burgerwoning" opgenomen en was het perceel op plankaart 2 aangewezen voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 20, onder A, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de als zodanig op de kaart aangegeven gronden bestemd voor woningen, met dien verstande dat:

a. per als zodanig op kaart 2 aangegeven gebied slechts één woning aanwezig mag zijn;

b. de volgende maten in acht moeten worden genomen:

1. de woning zonder de bijbehorende niet voor bewoning bestemde bergingen en stallingsruimten, inhoud max. 500 m³; afstand zijdelingse perceelsgrens max. 5 m;

2. garage en berging, bebouwde oppervlakte max. 45 m²;

3. onderkomens voor huisdieren, totale bebouwde oppervlakte max. 10 m².

2.7.3. In het voorliggende plan is binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel van [appellant] een bouwvlak ingetekend ter plaatse van de bestaande woning. Uit voormelde planregels volgt dat de woning uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. De situering van de woning is hiermee vastgelegd en de maatvoering van de woning is begrensd door met name de omvang van het bouwvlak in plaats van een maximale inhoud. Voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid hiertoe heeft kunnen besluiten, ziet de Afdeling geen aanleiding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de inhoud van de bestaande woning in het plan niet is beperkt, alsmede dat niet is gebleken van concrete plannen om de bestaande woning uit te breiden of te verplaatsen naar elders op het perceel. Voorts is niet gebleken dat de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan ten aanzien van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn beperkt vanwege het bouwvlak. Hiertoe wordt overwogen dat de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak zijn toegestaan en dat evenmin is gebleken van concrete plannen voor het uitbreiden van die bouwwerken.

Ten opzichte van de toegestane maximale bouwhoogten die in het voorheen geldende plan waren opgenomen voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voorziet het voorliggende plan in geringe beperkingen. De raad heeft toegelicht dat deze beperkingen voortvloeien uit de wens om de uniformiteit van bouwregels voor woningen binnen de gemeente te bevorderen. Hiertoe zijn de bouwregels die behoren bij de bestemming "Wonen" gebaseerd op de bouwregels die in het bestemmingsplan "Kernen Maasdonk" bij deze bestemming behoren. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit onredelijk te achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit artikel 9 van de planregels volgt dat onder meer de goothoogte en bouwhoogte van bouwwerken die in overeenstemming zijn met het bepaalde in een omgevingsvergunning en die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan minder dan wel meer bedragen dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan gelden voor die bouwwerken en voor uitbreiding en vervanging daarvan.

Het betoog faalt.

2.7.4. Voorts overweegt de Afdeling dat hetgeen in het beeldkwaliteitsplan is vermeld over de beeldkwaliteit aan de Schotsheuvel, nog daargelaten dat in het voorliggende plan geen voorschrift is opgenomen op grond waarvan het beeldkwaliteitsplan bij de vaststelling van het bestemmingsplan in acht moet worden genomen, van toepassing is op nieuw te bouwen woningen en niet op een reeds bestaande woning, zoals de woning van [appellant].

Overige beroepsgronden

2.8. [appellant] voert aan dat uit rapporten van Arcadis en Oranjewoud blijkt dat het bedrijventerrein is bedoeld voor kleinschalige bedrijven met een omvang van maximaal 4.500 m² en dat het bedrijventerrein Waalbos is bedoeld voor grootschalige bedrijven. Hij betoogt dat de omvang van de percelen op het bedrijventerrein zo groot is, dat grootschalige bedrijven zich op dit bedrijventerrein zullen vestigen in plaats van op het bedrijventerrein Waalbos.

2.8.1. In artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, onder b, van de planregels is voor de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" bepaald dat de oppervlakte van een bouwperceel niet meer bedraagt dan 5.000 m2. Voorts is in lid 3.2, onder 3.2.5, aanhef en onder a, bepaald dat voor gebouwen en bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1", in aanvulling op c.q. in afwijking van de bouwregels opgenomen in lid 3.2, onder 3.2.2 en 3.2.3, de bouwregel geldt dat de oppervlakte van het bouwperceel niet meer bedraagt dan 1.500 m2.

2.8.2. Gelet op de in het plan toegelaten maximale omvang van een bouwperceel voor bedrijven, die 500 m² groter is dan de omvang die volgens [appellant] voor een kleinschalig bedrijf heeft te gelden, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen grond bestaat voor de vrees van [appellant] dat grootschalige bedrijven zich zullen vestigen op het bedrijventerrein in plaats van op het bedrijventerrein Waalbos. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bedrijventerrein voornamelijk plaats zal bieden aan in de gemeente gevestigde bedrijven in een woongebied die daar niet langer gewenst zijn.

2.9. [appellant] betoogt dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat tekeningen niet op elkaar zijn afgestemd, bijlagen zijn gewijzigd tijdens de terinzagelegging, verschillen in bestemmingen bestaan en bouwvlakken niet kloppen. Ook acht hij het onzorgvuldig dat niet duidelijk uit de bij het plan behorende stukken naar voren komt welke onderzoeken hebben geleid tot aanpassingen van het ontwerp van het plan en dat ten tijde van de vaststelling van het plan de uitkomsten van bepaalde onderzoeken nog niet bekend waren. In dit verband wijst hij op onderzoeken naar de woonwensen binnen de gemeente Maasdonk en de flora en fauna in het plangebied.

[appellant] betoogt verder dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van de bodemverontreiniging van de gronden binnen het plangebied. Hij wijst erop dat uit eerder onderzoek is gebleken dat het grondwater een te hoog gehalte cadmium bevat.

2.9.1. Ten behoeve van het plan zijn onderzoeken verricht naar de effecten van het plan op de aanwezige natuurwaarden. De resultaten daarvan zijn neergelegd in rapporten die dateren van voor de vaststelling het plan. Het betoog van [appellant] dat de resultaten van de onderzoeken naar de flora en fauna ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet bekend waren, mist feitelijke grondslag.

In het plan is voorzien in een globale uit te werken bestemming voor het woongebied, waar op grond van de planregels maximaal 275 woningen zijn toegestaan. In de nota van zienswijzen staat dat uit een provinciale woningbouwprognose blijkt dat de gemeente Maasdonk een woningbouwopgave van 570 woningen heeft, waarvan 120 woningen reeds mogelijk zijn gemaakt. Ook uit een woningmarktmonitor blijkt dat binnen de gemeente nog steeds behoefte is aan nieuwe woningen. Volgens de raad volgt uit deze onderzoeken dat behoefte bestaat aan de in het plandeel met de bestemming "Woongebied - Uit te werken" voorziene woningen. Aan de hand van het woonwensenonderzoek, waarmee duidelijkheid wordt verkregen over onder meer het type woningen, zullen vervolgens uitwerkingsplannen worden opgesteld. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door het plan vast te stellen zonder de resultaten van het woonwensenonderzoek af te wachten.

Voorts ziet de Afdeling in de overige niet nader onderbouwde stellingen van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming en de vaststelling van het plan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de nota van wijzigingen, die bij het besluit tot vaststelling van het plan behoort, staat welke wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan in het vastgestelde plan zijn aangebracht.

Het betoog faalt.

2.9.2. In de beantwoording van de zienswijze van onder meer [appellant] en in het verweerschrift staat dat in 1992 uit onderzoek is gebleken dat in een deel van het plangebied een verhoogd gehalte cadmium en zink in het grondwater aanwezig was. De streefwaarde werd hierbij overschreden, maar er was geen overschrijding van de interventiewaarde. Voor deze licht verhoogde waarde kon geen directe oorzaak worden gevonden en aangenomen is dat er sprake is van een van nature hoge achtergrondwaarde van cadmium in het grondwater, wat met name ter plaatse van zandgronden vaker voorkomt. Deze conclusie is bevestigd in bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd in 2001 en 2009 op het perceel Industrieterrein 28, op ongeveer 100 m afstand van het perceel van [appellant] en nabij de plaats waar in 1992 het verhoogde cadmiumgehalte is aangetroffen. De lichte verontreiniging brengt geen verplichting met zich om de grond te saneren en leidt niet tot gebruiksbeperkingen, aldus de raad.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het verhoogde cadmiumgehalte in het grondwater voor de in het plan voorziene gebruiksmogelijkheden.

2.10. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet in het plan is voorzien in compensatie van het groen dat illegaal is verwijderd op het bedrijventerrein.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven zien om in het plan in groencompensatie te voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat dit aspect geen gevolg is van het verwezenlijken van de in het plan voorziene bestemmingen.

2.11. Het betoog van [appellant] dat ten onrechte de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijventerrein - 1" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - 2" niet op de verbeeldingen bij het ontwerpplan en het vastgestelde plan zijn weergegeven, mist feitelijke grondslag. Op de verbeeldingen zijn deze aanduidingen weergegeven.

2.12. Het betoog van [appellant] dat het vestigen van industrie aan de Zandstraat niet past binnen de gekozen indeling van het plangebied, dat uitgaat van woningbouw in het noorden en industrie in het zuiden, mist eveneens feitelijke grondslag. Het plan voorziet niet in een bestemming ten behoeve van industrie aan de Zandstraat.

Het exploitatieplan

2.13. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen planschade-risicoanalyse aan het exploitatieplan ten grondslag ligt. Voorts is volgens hem onduidelijk op welke manier eventuele planschade zal worden verhaald op de aanvrager. Verder stelt hij dat het tijdvak waarbinnen wordt beoogd het plan te verwezenlijken niet duidelijk is vastgelegd en dat de kosten van het bouwrijp maken van de gronden niet zijn weergegeven. Ook betoogt hij dat het bouwverbod dat is neergelegd in het exploitatieplan in strijd is met de verdere inhoud van dat plan. Verder betoogt [appellant] dat het exploitatieplan ten onrechte geen betrekking heeft op de weg Schotsheuvel. Voorts stelt hij dat de in het plan opgenomen fasering onduidelijk is, omdat daaruit niet blijkt op welke wijze de ontsluiting van de verschillende fasen en de aanleg van de infrastructuur van het bouwverkeer zal plaatsvinden.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan.

2.13.2. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wro, voor zover hier van belang, bevat een exploitatieplan:

a. een kaart van het exploitatiegebied;

b. een omschrijving van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruime in het exploitatiegebied;

c. een exploitatieopzet, bestaande uit:

1. voor zover nodig een raming van de inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor de toepassing van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de exploitatie van die gronden;

2. een raming van de andere kosten in verband met de exploitatie, waaronder een raming van de schade die op grond van artikel 6.1 voor vergoeding in aanmerking zou komen;

3. een raming van de opbrengsten van de exploitatie, alsmede de peildatum van de onder 1 tot en met 3 bedoelde ramingen;

4. een tijdvak waarbinnen de exploitatie van de gronden zal plaatsvinden;

5. voor zover nodig een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen, en zo nodig koppelingen hiertussen;

6. de wijze van toerekening van de te verhalen kosten aan de uit te geven gronden.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.13.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het exploitatieplan, moet een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten in het exploitatiegebied worden geweigerd indien het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft, (nog) niet is ontsloten op de openbare weg dan wel via een bouwweg op de openbare weg.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag van hetgeen is opgenomen in lid 1 van dit artikel afwijken en bouwactiviteiten toestaan, indien het betreffende bouwplan tevens voorziet in de aanleg van een openbare weg dan wel bouwweg.

Ingevolge het derde lid kan het bevoegd gezag van hetgeen is opgenomen in lid 1 van dit artikel afwijken en bouwactiviteiten toestaan, indien de openbare weg dan wel bouwweg naar verwachting binnen 6 weken na indiening van aanvraag, gereed is en in gebruik genomen kan worden, waardoor het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft alsnog via de openbare weg dan wel via een bouwweg op de openbare weg is ontsloten.

2.13.4. Voor zover het beroep van [appellant] betrekking heeft op het kostenverhaal, is het gericht tegen het vaststellen van financiële onderdelen van het exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, ten eerste, tweede, derde, vierde en zesde, van de Wro. [appellant] is geen eigenaar van gronden in het exploitatiegebied en heeft evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] die rechtstreeks zijn betrokken bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van het exploitatieplan, kan hij niet worden aangemerkt als belanghebbende bij dit financiële deel van het exploitatieplan. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.13.5. [appellant] richt zich voorts tegen de faseringsregel in artikel 2 van het exploitatieplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2012 in zaak nr. 201011643/1/R2) kan een fasering ruimtelijke gevolgen hebben indien een fasering is opgenomen in een exploitatieplanregel. Artikel 2 van het exploitatieplan ziet op de afstemming tussen enerzijds het moment waarop bouwactiviteiten mogen worden uitgevoerd en anderzijds het tijdstip waarop infrastructurele maatregelen dienen te worden genomen. Deze regel is niet louter rekenkundig, maar kan ruimtelijk relevant zijn. Niet is uitgesloten dat [appellant] hiervan nadelige effecten kan ondervinden. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] in zoverre niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

2.13.6. Voor het oordeel dat artikel 2 van het exploitatieplan rechtsonzeker is nu daarin niet uitdrukkelijk is bepaald op welke wijze de ontsluiting van de verschillende fasen en de aanleg van de infrastructuur van het bouwverkeer zal plaatsvinden, ziet de Afdeling geen aanleiding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in artikel 6.13, derde lid, van de Wro is bepaald dat voor gronden, waarvoor nog een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, moet worden vastgesteld, of waarvoor ingevolge de fasering geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, kan worden verleend, de onderdelen van een exploitatieplan, bedoeld in het eerste en tweede lid, een globale inhoud kunnen hebben.

Conclusie

2.14. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestemmingsplan en het exploitatieplan anderszins zijn voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen de onderdelen van het besluit van de raad van de gemeente Maasdonk van 31 mei 2011 tot vaststelling van het exploitatieplan "Nuland Oost 2011" als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, ten eerste, tweede, derde, vierde en zesde, van de Wet ruimtelijke ordening, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I. Slagt, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Slagt

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

618.