Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201103245/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensfokkerij op het perceel [locatie] te Beerzerveld. Dit besluit is op 3 februari 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103245/1/A4.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting VROM?, gevestigd te Twenterand, en anderen

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensfokkerij op het perceel [locatie] te Beerzerveld. Dit besluit is op 3 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2012, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door B. de Ruiter en D.J. Bouma, en het college, vertegenwoordigd door M. Bakker en J. Marsman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. De stichting heeft, naar zij stelt, mede namens [5 appellanten] beroep ingesteld. Hoewel daartoe verzocht, heeft de stichting geen machtigingen overgelegd op grond waarvan zij namens genoemde families beroep kon instellen. Gelet hierop is het beroep, voorzover dat namens hen is ingesteld, niet-ontvankelijk.

2.3. De stichting en anderen betogen dat voor de voorgenomen uitbreiding van de inrichting een milieueffectrapport (hierna: MER) had moeten worden gemaakt. Ter zitting hebben zij gesteld dat de 'Aanmeldingsnotitie MER-beoordeling Varkenshouderij Grenshoeve' van 5 februari 2010 onvoldoende gegevens bevat om een juiste beoordeling te maken.

2.3.1. De beoogde uitbreiding van de inrichting valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (oud), voor welke categorie inrichtingen ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid, van de Wet milieubeheer een mer-beoordelingsplicht bestaat.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college besloten dat het opstellen van een MER niet nodig is. Het college heeft daarbij op basis van de aanmeldingsnotitie van 5 februari 2010, aangevuld op 17 maart 2010, onder meer de relevante milieueffecten en de bijzondere kenmerken van de omgeving van de inrichting in beschouwing genomen. Hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de voorbereiding van dit besluit onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard.

Voor zover de stichting en anderen hebben verwezen naar de 'Startnotitie Milieueffectrapportage Varkenshouderij de Grenshoeve' van augustus 2008 en de daarover ingebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat deze notitie voor deze procedure niet van belang is, omdat zij betrekking heeft op een andere situatie dan is aangevraagd en het besluit van 18 maart 2010 noch het bestreden besluit op deze notitie is gebaseerd.

Voor het overige hebben de stichting en anderen niet vermeld op welke gronden de in het besluit van 18 maart 2010 weergegeven beoordeling onjuist of onzorgvuldig zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De stichting en anderen voeren verder aan dat de vergunde uitbreiding van de inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan, omdat deze voor een deel buiten het toegestane bouwblok wordt gerealiseerd. Zij wijzen hierbij op het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 13 juli 2010, waarbij een reactieve aanwijzing is gegeven, waardoor bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan 'Buitengebied' 2010 niet in werking zijn getreden en aldus in zoverre het bestemmingspan 'Buitengebied' 1994 gold.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeer, voor zover hier van belang, kan de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.4.2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat op 18 februari 2010 is vastgesteld en op 23 september 2010 in werking is getreden. Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college van gedeputeerde staten krachtens artikel 8.3, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing gegeven ertoe strekkende dat bepaalde onderdelen van het plan geen deel blijven uitmaken. Dit besluit heeft echter geen betrekking op en evenmin gevolgen voor het bouwblok op het perceel van de inrichting. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan 'Buitengebied' van 2010 voorziet in een bouwblok ten behoeve van de uitbreiding van de inrichting, zoals aangevraagd. De verleende vergunning is daarmee niet in strijd.

Voor zover de stichting en anderen betogen dat het bouwblok feitelijk groter is dan is aangevraagd en dan het bestemmingsplan toestaat, betreft dit de naleving van de vergunning en het bestemmingsplan, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Voor het overige hebben de stichting en anderen zich beperkt tot een herhaling van de door hun over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. De stichting en anderen hebben in het beroepschrift geen gronden aangevoerd op basis waarvan moet worden geoordeeld dat deze reactie onjuist zou zijn. In hetgeen zij hierover ter zitting naar voren hebben gebracht kan evenmin grond worden gevonden voor dit oordeel. Het beroep faalt in zoverre.

2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld namens [5 appellanten];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

457-693.