Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201108821/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 23 juni 2011 heeft de raad beraadslaagd over de vaststelling van het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108821/1/R3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Soest,

en

de raad van de gemeente Soest,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 23 juni 2011 heeft de raad beraadslaagd over de vaststelling van het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8".

Tegen het beweerdelijk genomen besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende] en anderen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2012, waar [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant A]), bijgestaan door mr. A. van Balen, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door S.F. Supusepa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder zijn [belanghebbende] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit de stukken blijkt dat bij brief van 13 december 2007 namens [appellant A] bij het college van burgemeester en wethouders een principeaanvraag is ingediend om het perceel, kadastraal bekend gemeente Soest, sectie A, nummers 4545 en 4546, te mogen bebouwen met twee halfvrijstaande woningen. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 18 maart 2008 afgewezen. Naar aanleiding van een onderhoud tussen een vertegenwoordiger van [appellant A] en de betrokken wethouder heeft het college vervolgens bij brief van 16 juni 2009 te kennen gegeven alsnog mee te willen werken aan de bouw van één woning op het perceel. Op verzoek van het college heeft [appellant A] daarop een ontwerp voor een bestemmingsplan laten opstellen dat daarna ter inzage is gelegd. Hiertegen hebben [belanghebbende] en anderen zienswijzen naar voren gebracht. Op 23 juni 2011 heeft de raad beraadslaagd over de vaststelling van het bestemmingsplan.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij slechts heeft beraadslaagd over de vaststelling van het bestemmingsplan en formeel geen besluit hierover heeft genomen. Verder is de aanvraag in 2007 gedaan, zodat de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) van toepassing is en het vermeende besluit van de raad niet vatbaar is voor beroep. Voorts heeft de raad betoogd dat het gemeentebestuur ten onrechte toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat ingevolge artikel 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen artikel 3.8 van deze wet niet van toepassing is. Derhalve had volgens de raad eerst de bezwaarprocedure moeten worden doorlopen en vervolgens beroep bij de rechtbank moeten worden ingesteld.

2.3. De Afdeling stelt vast dat de raad in zijn vergadering van 23 juni 2011 niet alleen heeft beraadslaagd over het bestemmingsplan en over de vaststelling ervan, doch tevens hierover een besluit heeft genomen, inhoudende de weigering om het plan vast te stellen. Dit volgt uit de besluitenlijst die de griffie van deze raadsvergadering heeft opgemaakt en blijkt ook uit de openbare kennisgeving op 6 juli 2011 en de mededeling in de brief van 6 juli 2011 aan de vertegenwoordiger van [appellant A]. De omstandigheid dat het besluit van de raad niet tevens op de wijze, zoals gebruikelijk is bij de vaststelling van een bestemmingsplan, schriftelijk is vastgelegd, betekent niet dat de raad geen besluit heeft genomen over de vaststelling van het bestemmingsplan.

2.3.1. Op grond van het recht, zoals dat tot 1 juli 2008 luidde, stond geen bezwaar en beroep open tegen een besluit tot weigering een bestemmingsplan vast te stellen. Op 1 juli 2008 zijn de Wro en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden. In de Invoeringswet Wro is niet in overgangsrecht voorzien voor de situatie, als thans aan de orde, waarin voor 1 juli 2008 een aanvraag is ingediend om een bestemmingsplan vast te stellen en na die datum afwijzend op de desbetreffende aanvraag is beslist. Voor het antwoord op de vraag of de WRO dan wel de Wro van toepassing is, is naar het oordeel van de Afdeling niet van belang op welk tijdstip de aanvraag is ingediend, maar op welk tijdstip dat besluit is bekendgemaakt. Nu het bestreden besluit algemeen bekend is gemaakt op 6 juli 2011 en op die dag ook bij brief aan de vertegenwoordiger van [appellant A] is meegedeeld, is de Wro van toepassing.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder a, van de Wro, voor zover hier van belang, kan bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan. Hieronder valt ook de weigering om een bestemmingsplan vast te stellen, zodat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is te oordelen over een dergelijk besluit.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wro is artikel 3.8 van de Wro, waarin wordt verwezen naar afdeling 3.4 van de Awb, niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen. Dit laat echter onverlet dat de raad, in het geval wel toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb omdat het voornemen bestond om de aanvraag in te willigen, alsnog kan besluiten de aanvraag af te wijzen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de zienswijzen die tegen het ontwerp van het plan zijn ingediend. Dit geval doet zich hier voor. Nu derhalve in dit geval afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, brengt artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb met zich dat niet eerst bezwaar dient te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld.

2.3.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk te verklaren.

Inhoudelijk

2.4. Het beroep van [appellant A] is gericht tegen het besluit van de raad waarbij hij heeft geweigerd om het bestemmingsplan vast te stellen dat de bouw van één woning mogelijk maakt op het perceel van [appellant A]. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte een zwaarder gewicht heeft toegekend aan het belang van de omwonenden dan aan zijn belang ter plaatse een woning te kunnen bouwen. Daarbij heeft de raad volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarom er geen maatschappelijk draagvlak is voor de bouw van één woning. Verder voert [appellant A] aan dat er geen onduidelijkheid is omtrent de maatvoering, nu het college nog nader onderzoek heeft gedaan naar de afmetingen van het perceel. De raad is hier ten onrechte niet vanuit gegaan. Volgens [appellant A] kan hij voldoen aan de door het college gestelde randvoorwaarden. Ook voert [appellant A] aan dat de brief van het college van 6 juni 2009 niet onvoldoende gemotiveerd is. Het college is immers op basis van voortschrijdend inzicht tot de conclusie gekomen dat het perceel voldoende ruim is voor de bouw van één woning en dat aan de stedenbouwkundige aspecten voldaan kan worden.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat genoemde besluitenlijst van de vergadering van de raad van 23 juni 2011 geen motivering bevat waarom de raad heeft geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen. Uit de brief van het college van 6 juli 2011, waarin de vertegenwoordiger van [appellant A] op de hoogte wordt gesteld van het besluit van de raad, en uit het verweerschrift blijkt dat de raad hiertoe heeft besloten omdat er volgens hem geen maatschappelijk draagvlak is voor de bouw van een woning op de beoogde locatie. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit echter geen ruimtelijk relevant aspect. Voorts blijkt uit deze stukken dat de raad heeft geweigerd het plan vast te stellen, omdat volgens hem het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het college in tegenstelling tot zijn besluit van 18 maart 2008 thans wel bereid is medewerking te verlenen, en omdat volgens hem onduidelijkheid bestaat over de maatvoering van dit perceel. De Afdeling is van oordeel dat de raad hierin echter aanleiding had moeten vinden zich hierover nader te (laten) informeren en zich vervolgens hierover een inhoudelijk oordeel had moeten vormen alvorens een besluit te nemen over het al dan niet gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan.

2.5. In hetgeen [appellant A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad, waarbij is geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.5.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen zes maanden na en met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Proceskosten

2.6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Soest van 23 juni 2011, waarbij is geweigerd het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8" vast te stellen;

III. draagt de raad van de gemeente Soest op om binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Soest tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Soest aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

177-661.