Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201112118/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende] ontheffing te verlenen voor het vestigen van een sportschool op het perceel [locatie] te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112118/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] (thans: [appellant B]), wonend te Breda, handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant C], wonend te Chaam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 september 2011 in zaak nr. 11/2074 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende] ontheffing te verlenen voor het vestigen van een sportschool op het perceel [locatie] te Breda.

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college het door [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 12 augustus 2010, onder aanvulling van de motivering daarvan en voorzien van de juiste tenaamstelling, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 27 september 2011, verzonden op 10 oktober 2011, heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant B] en [appellant C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant B] en [appellant C] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant B] en [appellant C], bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door mr. W.J. Leenders, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M.J.F. Meeuwis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld om de toelichting op het bestemmingsplan "Haagse Beemden Oost 1969-1" in te brengen en [appellant B] en [appellant C] om daarop te reageren. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

2.2. [appellant C] heeft tegen het besluit van 1 maart 2011 geen beroep ingesteld, maar is door de rechtbank op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij toegelaten.

De situatie dat [appellant C] redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep bij de rechtbank te hebben ingesteld, doet zich niet voor. Nu [appellant C] door de uitspraak van de rechtbank niet in een ongunstiger positie is gekomen, staat voor hem gelet op artikel 6:13, in samenhang gelezen met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geen hoger beroep open. Het hoger beroep van [appellant C] is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Ingevolge het ten tijde van het besluit van 12 augustus 2010 geldende bestemmingsplan "Haagse Beemden Oost 1969-1" rustte op het perceel de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf klasse HB".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen de op de kaart als zodanig aangewezen gronden uitsluitend worden gebruikt voor het bouwen van bouwwerken voor doeleinden van handel en bedrijf.

Ingevolge het ten tijde van het besluit van 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan "Emer Hintelaken" rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein" met de nadere aanduiding "sbt-2/3".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, zijn de als "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "sbt-2/3" uitsluitend bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 bij de regels onder de categorie├źn 2 en 3.

Ingevolge artikel 17.2, onder a, mag gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.4. [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn in beroep aangevoerde betoog dat het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk was, omdat het gebruik van het perceel ten behoeve van een sportschool in overeenstemming was met het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Haagse Beemden Oost 1969-1". Gelet hierop valt het gebruik onder het overgangsrecht van het ten tijde van het besluit van 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan "Emer Hintelaken", zodat dit volgens [appellant B] mag worden voortgezet.

2.4.1. [appellant B] heeft terecht gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op dat betoog. Het kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.4.2. Ingevolge het ten tijde van het besluit van 12 augustus 2010 geldende bestemmingsplan "Haagse Beemden Oost 1969-1" rustte op het perceel de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf klasse HB", welke gronden uitsluitend mogen worden gebruikt voor het bouwen van bouwwerken voor doeleinden van handel en bedrijf. In het bestemmingsplan is niet opgenomen wat onder handel en bedrijf dient te worden verstaan. Het gebruik van het perceel ten behoeve van een sportschool is echter, ook als deze, zoals [appellant B] betoogt, bedrijfsmatig wordt gevoerd, hiermee in strijd, nu een sportschool een recreatieve functie heeft en niet dient voor handels- en bedrijfsdoeleinden. Ontheffing van het bestemmingsplan "Haagse Beemden Oost 1969-1" was derhalve noodzakelijk. Ook de toelichting op het bestemmingsplan biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van [appellant B] juist is.

Nu het gebruik van het perceel ten behoeve van een sportschool in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, wordt dat gebruik niet beschermd door het in artikel 17.2, onder a, van het bestemmingsplan "Emer Hintelaken" neergelegde gebruiksovergangsrecht.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant B] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe verwijst hij naar de naastgelegen sportschool Fit 4 Free op het perceel Franse Akker 23.

2.5.1. Fit 4 Free wordt, in tegenstelling tot [bedrijf], met naam genoemd onder categorie 2 in bijlage 1 van de regels bij het bestemmingsplan "Emer Hintelaken". Derhalve is dit gebruik ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften ter plaatse toegestaan. In de toelichting op het bestemmingsplan is in dit kader aangegeven dat de bestaande situatie op het perceel Franse Akker 23 positief is bestemd. De functie van fitnesscentrum mag op die locatie onder het nieuwe planologische regime worden gehandhaafd, maar vestiging van een nieuw zelfstandig fitnesscentrum op het bedrijventerrein is niet wenselijk en daarom

uitgesloten, aldus de toelichting.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de op 7 juli 2006 aan Fit 4 Free verleende vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan geen gelijk geval betreft waarin het college thans aanleiding moest zien alsnog medewerking te verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant C], niet-ontvankelijk;

II verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld [appellant B], ongegrond;

III bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

414-713.