Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201101197/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2010, kenmerk 2010-50051/46/B.10 RP, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Marum bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Poort II", voor zover dit betreft het plandeel met de bestemming "Wegverkeer (V)" dat voorziet in de aansluiting van de zuidelijke verbinding van het bedrijventerrein op de Noorderweg.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/202
JOM 2012/864
JOM 2012/874

Uitspraak

201101197/1/R1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellante D], [appellant E], [appellante F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J] en [appellant K] (hierna: [appellant] en anderen), wonend te Marum,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2010, kenmerk 2010-50051/46/B.10 RP, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Marum bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Poort II", voor zover dit betreft het plandeel met de bestemming "Wegverkeer (V)" dat voorziet in de aansluiting van de zuidelijke verbinding van het bedrijventerrein op de Noorderweg.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2011.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.H.J. Habraken, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door G.H.F. Postma, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de verwezenlijking van een bedrijventerrein ten oosten van de Noorderweg, tussen rijksweg A7 en de kern Marum en aansluitend op het bestaande bedrijventerrein De Poort I. Aan de zuidzijde van het plangebied is ter hoogte van de percelen Noorderweg 18 en 20 voorzien in een ontsluiting op de Noorderweg, genaamd De Bres.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellant] en anderen

2.3. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de in het plan gehanteerde voertuigverdeling onjuist is, dat het college heeft gehandeld in strijd met de Handreiking voor het opstellen en beoordelen van Gemeentelijke Ruimtelijke Plannen en dat nut en noodzaak van de ontsluiting van De Poort II vanaf de Noorderweg via De Bres niet zijn aangetoond, overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 1 april 2009 (zaak nr. 200802241/1) heeft geoordeeld over de goedkeuring van het gehele plan. [appellant] en anderen zijn daarbij in de gelegenheid geweest om vorenstaande onderwerpen aan de orde te stellen. Blijkens de uitspraak van 1 april 2009 hebben zij dit niet gedaan. De wijze waarop het college de verkeersafwikkeling op de kruising van de Noorderweg met De Bres heeft beoordeeld heeft aanleiding gegeven het vorige besluit omtrent goedkeuring van 19 februari 2008 te vernietigen nu het college zijn standpunt dat het plan met de genomen verkeersmaatregelen ter plaatse van deze kruising voorziet in een veilige verkeersafwikkeling, onvoldoende heeft onderbouwd. Het college was gehouden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling wat betreft dit aspect. Dat laat onverlet dat, indien sedert de datum van 19 februari 2008 feiten of omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat deze aanleiding kunnen geven tot een andere uitkomst, een nieuwe beoordeling van vorenstaande onderwerpen dient plaats te vinden. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De in het plan gehanteerde voertuigverdeling, het niet in strijd handelen met de Handreiking voor het opstellen en beoordelen van Gemeentelijke Ruimtelijke Plannen en het nut en de noodzaak van de ontsluiting van het bedrijventerrein dienen thans derhalve als een gegeven te worden beschouwd.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de aan het besluit ten grondslag gelegde verkeersveiligheidtoets ondeugdelijk is. Volgens hen wordt hierin ten onrechte voorbijgegaan aan de stelselmatige overschrijdingen van de maximumsnelheid op de Noorderweg, het inhalen van auto's ondanks een inhaalverbod en het feit dat op De Bres door auto's in twee richtingen wordt gereden terwijl deze weg voor eenrichtingsverkeer is aangewezen. Voorts zijn volgens [appellant] en anderen onder meer voetgangers, (brom)fietsers en landbouwverkeer ten onrechte niet meegenomen in de verkeersveiligheidtoets en had in dit verband ook deugdelijk onderzoek moeten worden gedaan naar ongelukken waarbij fietsers of voetgangers betrokken waren. Verder voeren zij aan dat de verkeersveiligheidtoets ten onrechte ervan uitgaat dat de kruising van de Noorderweg met De Bres wat betreft vormgeving overeenkomt met de kruisingen van de Noorderweg met de Industrieweg onderscheidenlijk de Poortweg en vrezen zij opstoppingen op de Noorderweg.

[appellant] en anderen stellen voorts dat de verkeersveiligheidtoets ten onrechte uitgaat van een autonome groei van de verkeersintensiteit van 3% per jaar nu in de twee jaren volgend op het basisjaar 2006 sprake is geweest van een groei van de verkeersintensiteit van 10%. Verder kloppen volgens hen de theoretische waarden die zijn ontleend aan de geluidsniveaukaart uit 2005 niet met de door de gemeente uitgevoerde verkeerstellingen van maart 2007.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheidtoets correct is uitgevoerd, de relevante factoren, waaronder fietsers en voetgangers, in de toets zijn meegenomen en niet is gebleken van onjuiste aannamen. Volgens het college is de kruising van de Noorderweg met De Bres wat betreft vormgeving vergelijkbaar met de kruisingen van de Noorderweg met de Industrieweg en van de Noorderweg met de Poortweg.

2.4.2. In haar uitspraak van 1 april 2009 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college zijn standpunt dat het plan met de genomen verkeersmaatregelen ter plaatse van de aansluiting van De Bres op de Noorderweg voorziet in een veilige verkeersafwikkeling, onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) ten behoeve van voornoemde uitspraak op 16 oktober 2008 een deskundigenbericht uitgebracht waarin onder meer staat dat als gevolg van het plan met de te verwachten verkeersintensiteiten veel conflictsituaties op een relatief kort wegtraject zullen ontstaan waardoor van belang is dat deze situaties eenduidig en herkenbaar zijn, hetgeen volgens het deskundigenbericht met een adequate inrichting van de weg reeds mogelijk is.

Ten behoeve van het bestreden besluit heeft Goudappel Coffeng alsnog een verkeersveiligheidtoets uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in "De Poort II te Marum Verkeersveiligheidtoets" van 3 september 2009.

2.4.3. Met betrekking tot de door [appellant] en anderen gestelde overschrijdingen van de maximumsnelheid op de Noorderweg, het inhalen van auto's ondanks een inhaalverbod en het op De Bres door auto's in twee richtingen rijden, overweegt de Afdeling dat dit handhavingkwesties betreffen en dat Goudappel Coffeng bij het opstellen van de verkeersveiligheidtoets mocht uitgaan van de geldende verkeersregelgeving ter plaatse van de Noorderweg en De Bres. Weliswaar blijkt uit de namens de gemeente Marum verrichte verkeerstellingen op de Noorderweg van maart 2007 dat gemiddeld een aanzienlijk aantal auto's harder rijdt dan is toegestaan, maar deze snelheidsoverschrijdingen zijn niet dusdanig dat in de verkeersveiligheidtoets hiermee rekening had moeten worden gehouden.

2.4.4. In de verkeersveiligheidtoets staat dat niet duidelijk is hoeveel (brom)fietsverkeer van de Noorderweg gebruik maakt in de situatie voor realisering van het bedrijventerrein. Voorts wordt gerefereerd aan door de gemeente Marum geregistreerde verkeersongevallencijfers voor de periode 1998-2007 op het gedeelte van de Noorderweg tussen de rotonde met de op- en afrit van de A7 en de rotonde met de Kruisweg. Op dit gedeelte zijn ook de ontsluitingswegen naar het bedrijventerrein gesitueerd.

Anders dan [appellant] en anderen betogen volgt uit de verkeersveiligheidtoets niet dat Goudappel Coffeng bij de beoordeling van de verkeersveiligheid ter plaatse van de kruising van de Noorderweg en De Bres en na realisering van het bedrijventerrein geen rekening heeft gehouden met (brom)fietsverkeer en met de ongevallen waarbij (brom)fietsers zijn betrokken. Het fietsverkeer wordt immers expliciet bij de beoordeling van de verkeersveiligheid betrokken zodat ook, anders dan [appellant] en anderen betogen, kon worden afgezien van het uitvoeren van aparte tellingen van fietsers. In de verkeersveiligheidtoets wordt opgemerkt dat sprake is van een voorrangssituatie voor fietsers op de Noorderweg en voorts heeft het college te kennen gegeven dat beplanting rond de kruising is weggehaald, waardoor het zicht op fietsers verbetert. Dat voetgangers, bromfietsers en landbouwverkeer en de ongevallen waarbij zij zijn betrokken niet expliciet worden genoemd bij deze beoordeling leidt evenmin tot de conclusie dat hiermee in de verkeersveiligheidtoets geen rekening is gehouden, nu deze toets een beoordeling geeft van de totale verkeerssituatie voor alle weggebruikers op de kruising van de Noorderweg en De Bres.

2.4.5. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat de kruising van de Noorderweg met De Bres wat betreft vormgeving niet overeenkomt met de kruisingen van de Noorderweg met de Industrieweg onderscheidenlijk de Poortweg, overweegt de Afdeling dat hiertussen weliswaar verschillen bestaan, onder meer waar dit de omvang van de afscheiding tussen de Noorderweg en het naastgelegen fietspad betreft, maar dat de verkeerskundige opzet vergelijkbaar is en de verschillen grotendeels voortvloeien uit het feit dat, anders dan bij de kruisingen met de Industrieweg en de Poortweg, sprake is van eenrichtingsverkeer op De Bres en deze verschillen niet dusdanig van omvang zijn dat het college daarin aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat de verkeersveiligheidtoets uitgaat van onjuiste aannamen.

Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat ten behoeve van de verkeersveiligheid realisering van een vrijliggend fietspad over een langer gedeelte van de Noorderweg en het aanbrengen van een middenasstreep niet zijn vereist, nu als gevolg van het bedrijventerrein De Poort II sprake zal zijn van een toename van maximaal 950 motorvoertuigen per werkdag ter hoogte van de huidige fietsstrook, waarvan een groot deel op de A7 zal zijn georiënteerd, zodat de invloed hiervan op de verkeersveiligheid op de fietsstrook beperkt is. Op lange termijn is, afhankelijk van de toename van gemotoriseerd verkeer, een fysieke scheiding van het gehele fietspad met de Noorderweg wel gewenst. Hiertoe zijn, blijkens de verkeersveiligheidtoets, mogelijkheden die in de bestaande situatie kunnen worden ingepast. Verder volgt uit de verkeersveiligheidtoets dat het achterwege laten van een middenasstreep in dit geval de verkeersveiligheid juist kan bevorderen. Het college heeft tevens in redelijkheid kunnen stellen dat de verkeersdoorstroming op de Noorderweg door de kruising met De Bres niet in gevaar komt, omdat het bedrijventerrein De Poort II niet alleen via De Bres maar ook via de Poortweg is ontsloten, zodat de beperkte toename van gemotoriseerd verkeer als gevolg van het bedrijventerrein zich zal verdelen over beide ontsluitingen.

2.4.6. Naar de gevolgen van het plan voor de geluidsituatie heeft Stroop raadgevende ingenieurs B.V. onderzoek gedaan hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai reconstructie bestemmingsplan De Poort II te Marum" van 7 mei 2007. Ten behoeve van dit rapport zijn verkeersprognoses gemaakt waarbij de gemiddelde verkeersintensiteit en -samenstelling op de Noorderweg voor 2006 en 2017 zijn berekend. Bij die berekening is uitgegaan van de door Dinaf Traffic Control B.V. verrichte verkeerstellingen uit maart 2007 onderscheidenlijk de geluidsniveaukaart, zoals vastgesteld door de raad op 6 juli 2005. Wat betreft de verkeersintensiteit is een autonoom groeipercentage van 3 gehanteerd. De verkeersintensiteiten zijn berekend op 6.696 motorvoertuigen per etmaal in 2006 en 9.268 in 2017, waarbij uitsluitend is uitgegaan van de autonome groei. Indien bij de berekening voor 2017 het te verwachten verkeer van en naar het plangebied wordt opgeteld, bedraagt de verkeersintensiteit 10.216 motorvoertuigen per etmaal.

Voorts staat in de verkeersveiligheidtoets dat van 16 september 2008 tot 23 september 2008 opnieuw een verkeerstelling is uitgevoerd waarbij de gemiddelde verkeersintensiteit uitkomt op ruim 7.600 motorvoertuigen per etmaal.

2.4.7. Volgens de verkeerstellingen van maart 2007 is voor het jaar 2007 sprake van een gemiddelde verkeersintensiteit van 6.897 motorvoertuigen per etmaal. Uit de verkeerstellingen van september 2008 volgt dat de gemiddelde verkeersintensiteit uitkomt op ruim 7.600 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een stijging van ruim 10%. In hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren wordt evenwel geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verkeersveiligheidtoets ten onrechte uitgaat van een gemiddelde autonome groei van 3% per jaar. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de verkeersveiligheidtoets staat dat geen aanleiding bestaat om van een hoger percentage uit te gaan nu in verschillende verkeerskundige onderzoeken voor vergelijkbare wegen is uitgegaan van een lager percentage, zodat 3% kan worden gezien als een worst case scenario en voorts een afwijking van de gehanteerde autonome groei in een bepaald jaar niet noodzakelijkerwijs betekent dat van een onjuist percentage is uitgegaan, nu dit een gemiddelde groei betreft over een langere periode. Voorts wordt in aanmerking genomen dat uit de verkeersveiligheidtoets volgt dat thans en in de nabije toekomst overeenkomstig de doelstelling van het landelijk beleid Duurzaam Veilig functie, gebruik en inrichting van de Noorderweg op elkaar zijn afgestemd, hetgeen zorgt voor een verkeersveilige situatie, en verder ter zitting door de raad en het college te kennen is gegeven dat de Noorderweg, in overeenstemming met de in de verkeersveiligheidtoets hieromtrent gegeven aanbevelingen, zal worden aangepast indien de toenemende verkeersintensiteiten hiertoe aanleiding geven. In dit verband is van belang dat volgens de verkeersveiligheidtoets de maximale capaciteit van de Noorderweg 10.000-15.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Gelet hierop geven de door [appellant] en anderen aangevoerde ontwikkelingen met betrekking tot de verkeersintensiteiten geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid kon baseren op de verkeersintensiteiten zoals gehanteerd in de verkeersveiligheidtoets.

Redelijke termijn

2.5. [appellant] en anderen betogen dat het besluit niet binnen een redelijke termijn tot stand is gekomen.

2.5.1. Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb moet de beroepsgrond over de duur van de procedure mede aldus worden opgevat dat [appellant] en anderen betogen dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is overschreden.

2.5.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134). Zoals uit deze jurisprudentie volgt, dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.

2.5.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2007 (zaak nr. 200510017/1) volgt dat de redelijke termijn in een bestemmingsplanzaak waarbij het college aan het desbetreffende plandeel goedkeuring heeft verleend, begint te lopen bij het indienen van de bedenkingen door betrokkene. De tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan blijft buiten beschouwing bij de beoordeling of zich een overschrijding van de redelijke termijn voordoet. In een zaak als deze, die uit een goedkeuringsfase en één rechterlijke instantie bestaat, acht de Afdeling in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk. Daarbij mag de goedkeuringsfase ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de hierboven vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.5.4. Sinds het inbrengen van bedenkingen door [appellant] en anderen op 23 augustus 2007 zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling 4 jaar en ruim 11 maanden verstreken. Dit betekent dat de procedure 1 jaar en ruim 11 maanden te lang heeft geduurd. Nu de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009 en de thans voorliggende uitspraak binnen een redelijke termijn zijn gedaan, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig worden toegerekend aan het college. Daarbij is niet gebleken van de aanwezigheid van een rechtvaardiging voor deze overschrijding. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Het betoog slaagt.

2.5.5. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008 (zaak nr. 200703206/1), moet in een klacht dat de redelijke termijn is geschonden, een verzoek om vergoeding van de door de beweerde schending geleden schade worden geacht besloten te liggen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 juni 2007 (zaak nr. 200608140/1), volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, (nr. 62361/00, JB 2006, 134), dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

2.5.6. De Afdeling zal het verzoek van [appellant] en anderen op na te melden wijze toewijzen.

2.5.7. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond bedraagt het aan [appellant] en anderen toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 2.000,00 ieder. De Afdeling heeft evenwel in de omstandigheid dat zij gezamenlijk beroep hebben ingesteld, tegen het besluit van 19 februari 2008 en het bestreden besluit, aanleiding gezien dit bedrag aldus te matigen dat het bedrag dat aan allen tezamen wordt toegekend, overeenkomt met het bedrag dat zou moeten worden toegekend als slechts één van hen beroep had ingesteld. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. De Afdeling wijst in dit verband op het arrest van het EHRM in de zaak van Arvanitaki-Roboti en 90 anderen tegen Griekenland, van 15 februari 2008, nr. 27278/03, LJN: BC8757, AB 2008,140. Daaruit volgt dat naar het oordeel van het EHRM het feit dat een aantal klagers samen een procedure voert een dermate matigende invloed kan hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.

De Afdeling zal het college, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 181,82 per persoon aan onderscheidenlijk [appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellante D], [appellant E], [appellante F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J] en [appellant K], als vergoeding voor de door hen geleden immateriële schade.

Conclusie

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen ongegrond;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen om aan ieder van de volgende personen een vergoeding van € 181,82 (zegge: honderdeenentachtig euro en tweeëntachtig cent) te betalen: [appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellante D], [appellant E], [appellante F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J] en [appellant K];

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

410-728.