Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201107613/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan

"Van Spoor tot Steeg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107613/1/R4.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Haren,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Haren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan

"Van Spoor tot Steeg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2012, waar [appellant sub 1A], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, bijgestaan door W.A. Holtjer en drs. W.J. Schwertman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Woonborg, vertegenwoordigd door F.F. van der Staay, verschenen.

Buiten bezwaren van de andere partijen heeft de raad ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] een schriftelijke reactie gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting.

2. Overwegingen

Omvang van het geding

2.1. De Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is van toepassing op het bestreden besluit tot vaststelling van het plan. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Eerst ter zitting, en derhalve na afloop van de termijn voor het instellen van beroep, hebben [appellanten sub 2] aangevoerd dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Deze beroepsgrond dient, gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten beschouwing te worden gelaten.

Het plan

2.2. Het plan behelst een juridisch-planologische regeling voor het centrumgebied in de wijk Oosterhaar te Haren en maakt de bouw van een nieuw winkelcentrum, 125 woningen en een gezondheidscentrum mogelijk.

Inspraak en behandeling zienswijzen

2.3. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen - samengevat weergegeven - dat ten onrechte geen werkelijke inspraak is geboden. Met het door omwonenden opgestelde alternatieve plan is niet daadwerkelijk rekening gehouden, aldus [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2].

2.3.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.4. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen - zo begrijpt de Afdeling de beroepen - dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Verkeersrapport

2.5. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen dat onduidelijk is welk onderzoek de verkeerskundige onderbouwing van het plan vormt.

2.5.1. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] kunnen niet in deze stelling worden gevolgd. Het college heeft uiteengezet dat mede naar aanleiding van over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen het voorziene aantal woningen is verlaagd en dat Grontmij Nederland B.V. haar verkeerskundig onderzoek daarop heeft aangepast en ten behoeve van de vaststelling van het plan een nieuw rapport heeft gemaakt. Er kan geen misverstand over bestaan dat dit rapport van 8 oktober 2010, getiteld "Centrumplan Oosterhaar, verkeerskundige aspecten", dat als bijlage 8 deel uitmaakt van het plan, de verkeerskundige onderbouwing vormt.

Detailhandelbestemming

2.6. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben bezwaren tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel (DH)", gedeeltelijk met de aanduidingen "supermarkt (su)" en "onderdoorgang (ond)", dat ziet op de gronden aan de noordzijde van het plangebied schuin tegenover hun woningen aan onderscheidenlijk [locatie 1] en [locatie 2]. Hun bezwaren tegen dit plandeel betreffen verkeersveiligheid, sociale veiligheid, schaduwwerking en geluidhinder.

2.7. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat bevoorrading van de voorziene supermarkt verkeersonveilige situaties met zich zal brengen. Zij voeren aan - samengevat weergegeven - dat de voorziene noordelijke bevoorradingsroute leidt over wegen die niet geschikt zijn voor vrachtwagens. Deze wegen zijn volgens [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] te smal en te bochtig, onoverzichtelijk en voeren langs twee scholen en door een kinderrijke woonwijk. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren verder aan dat er betere, alternatieve routes zijn.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van verkeersonveilige situaties vanwege bevoorrading van de voorziene supermarkt geen sprake zal zijn. De raad acht een noordelijke bevoorradingsroute het meest geschikt.

2.7.2. Vooropgesteld zij dat in het plan een bevoorradingsroute als zodanig niet bindend is voorgeschreven. De vraag die partijen blijkbaar verdeeld houdt - welke route het meest geschikt is - kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen. Ter beoordeling staat uitsluitend de vraag of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid in verband met de bevoorrading met vrachtwagens van de in het plan voorziene supermarkt kan worden gewaarborgd.

De raad heeft in de toelichting bij het plan uiteengezet dat het laden en lossen aan de achterkant van het nieuwe winkelcentrum - die is voorzien aan de zijde van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] - zal plaatsvinden, zodat de vrachtwagens via onder meer de Windeweg zullen rijden. Ter plaatse geldt een maximale snelheid van 30 kilometer per uur. De raad gaat er blijkens de toelichting en het verhandelde ter zitting vanuit dat met het oog op onder meer de verkeersveiligheid nadere verkeersmaatregelen zullen worden genomen die er in voorzien dat de Windeweg een eenrichtingsweg wordt en dat deze weg in verband met de beschikbare breedte opnieuw zal worden ingericht op basis van het zogenoemde shared space principe. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad wat betreft de Windeweg of andere wegen in het plangebied en in de omgeving daarvan in zoverre van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid in verband met de bevoorrading met vrachtwagens van de in het plan voorziene supermarkt kan worden gewaarborgd.

2.8. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat de sociale veiligheid onvoldoende is gewaarborgd, vooral vanwege de donkere en onoverzichtelijke achterkant van het voorziene winkelcentrum. Volgens hen had in verband daarmee het bouwblok voor het winkelcentrum anders moeten worden gepositioneerd. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren verder aan - zo begrijpt de Afdeling hun betoog - dat moet worden betwijfeld of de door de raad aangekondigde beheerafspraken daadwerkelijk zullen worden gemaakt.

2.8.1. De raad stelt zich het standpunt dat bij het vaststellen van het plan aspecten van sociale veiligheid voldoende zijn meegewogen en dat de sociale veiligheid - ook met de in het plan vastgelegde positie van het bouwblok voor het winkelcentrum - kan worden gewaarborgd.

2.8.2. De raad heeft uiteengezet dat bij de vaststelling van het plan is gekeken naar mogelijkheden om overlastgevende situaties te voorkomen, hetgeen tot uitdrukking komt in een ruim opgezette invulling van het plangebied met doorlopende zichtlijnen en een ruime groenbestemming. Voorts heeft de raad toegelicht dat overleg plaatsvindt tussen gemeente, politie, ondernemers en de woningcorporatie over beheer en onderhoud van het winkelcentrum met als doel om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak ter bevordering van de sociale veiligheid. Hierbij zal volgens de raad ook worden voorzien in een regeling voor de melding van overlast.

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich op basis van deze uitgangspunten niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen dat de sociale veiligheid in verband met het voorziene winkelcentrum kan worden gewaarborgd. Overigens is er gelet op hetgeen hierover van de zijde van de raad en Woonborg is betoogd geen reden om eraan te twijfelen dat daadwerkelijk beheerafspraken zullen worden gemaakt om eventuele overlast tegen te gaan.

2.9. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan - zo hebben zij ter zitting hun beroepen nader geduid - dat het winkelcentrum een onevenredige schaduwwerking voor hun woningen met zich brengt. De zonnediagrammen zijn onduidelijk, aldus [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2].

2.9.1. De raad heeft zich blijkens de stukken, waaronder het verweerschrift, en het verhandelde ter zitting ten behoeve van de vaststelling van het plan op basis van een indicatieve beoordeling op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de voorziene bebouwing voor de bezonning van bestaande woningen gezien de maximale bouwhoogte en de afstand tot de bestaande woningen niet onevenredig kunnen worden geacht. De raad ziet zich in zijn standpunt gesteund door de zonnediagrammen die het resultaat zijn van nader specifiek onderzoek dat hij naar aanleiding van de beroepen heeft laten verrichten. Weliswaar is op de zonnediagrammen ook de schaduwwerking van bestaande woningen weergegeven, maar op basis van de diagrammen kan - zoals ter zitting van de zijde van de raad is toegelicht en door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] is bevestigd - wel worden geconcludeerd dat het winkelcentrum in de winterperiode na 15:00 uur schaduwwerking voor de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] veroorzaakt.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de voorziene bebouwing van het winkelcentrum voor de bezonning van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] niet onevenredig kunnen worden geacht.

2.10. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen geluidhinder vanwege de verkeersbewegingen van vrachtwagens van en naar het winkelcentrum, alsmede vanwege het laden en lossen van vrachtwagens bij de supermarkt. Volgens hen heeft de raad bij het vaststellen van het plan met de te verwachten geluidhinder onvoldoende rekening gehouden.

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen dat in het akoestisch onderzoek van 20 juni 2012, getiteld "Bevoorrading winkelcentrum BP Van Spoor tot Steeg" (hierna: het akoestisch onderzoek), uitgevoerd door adviesbureau WMA, onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd wat betreft de snelheid van vrachtwagens op de Windeweg, de bronsterkte van de achteruitrijdsignalering, het aantal en type vrachtwagens, het inpandig lossen, de locaties van geluidbronnen en het maximale geluidniveau van het laden en lossen gedurende de nachtperiode. Volgens hen moet daarom worden getwijfeld aan de conclusie van het akoestisch onderzoek dat wordt voldaan aan de toepasselijke geluidnormen.

2.10.1. De raad heeft zich ten behoeve van de vaststelling van het plan op basis van een indicatieve beoordeling op het standpunt gesteld dat de verkeersbewegingen van vrachtwagens van en naar het winkelcentrum en het laden en lossen bij de supermarkt geen onevenredige geluidhinder voor [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] met zich zal brengen, onder meer gelet op het beperkte aantal vrachtwagens dat het winkelcentrum aandoet - drie à vier per dag - alsmede op de afstand van de laad- en losplaats tot de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] en de omstandigheid dat het laden en lossen deels inpandig zal plaatsvinden. De raad ziet zich in zijn standpunt nader gesteund door onder meer het akoestisch onderzoek dat in zijn opdracht naar aanleiding van de beroepen is ingesteld, omdat daaruit blijkt dat wordt voldaan aan de toepasselijke geluidnormen, waaronder die van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim).

2.10.2. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat de geluidbelasting vanwege het bevoorradingsverkeer op de Windeweg ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] 43 en 38 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en nachtperiode bedraagt, zodat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 niet wordt overschreden. Voorts is geconcludeerd dat het laden en lossen een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] met zich brengt van ten hoogste 45 en 32 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en nachtperiode, zodat de grenswaarden van onderscheidenlijk 50 en 40 dB(A) uit het Barim niet worden overschreden. Het maximale geluidniveau vanwege het laden en lossen bedraagt blijkens het onderzoek ten hoogste 61 en 58 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en nachtperiode, zodat ook de grenswaarden voor het maximale geluidniveau van het Barim van onderscheidenlijk 70 en 60 dB(A) niet worden overschreden.

2.10.3. De stellingen en twijfels van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] over de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek geven - in het licht van onder meer de hoogte van de berekende geluidbelasting ten opzichte van de gehanteerde geluidnormen - onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersbewegingen van vrachtwagens van en naar het winkelcentrum en het laden en lossen bij de supermarkt geen onevenredige geluidhinder met zich zullen brengen. Wat het akoestisch onderzoek betreft wordt daarbij in aanmerking genomen dat daarin is vermeld dat het is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen 1999, hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] niet hebben bestreden. Verder is het onderzoek gebaseerd op een worst case benadering onder meer wat betreft het aantal vrachtwagens dat de supermarkt aandoet. Voorts is rekening gehouden met een planopzet zonder aanvullende geluidbeperkende maatregelen, terwijl het bouwplan - zo heeft Woonborg ter zitting toegelicht - zal voorzien in afscherming van de laad- en losplaats met een overkapping.

Groenbestemmingen

2.11. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat met de groenbestemmingen op zichzelf niet is verzekerd dat de zogenoemde Groene Long behouden blijft.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de groenbestemmingen voldoende is gewaarborgd dat het streven om de zogenoemde Groene Long te versterken wordt verwezenlijkt.

2.11.2. In het plantoelichting is uiteengezet dat het plangebied deel uitmaakt van de zogenoemde Groene Long, een groene zone die van oost naar west door de wijk Oosterhaar loopt als verbinding tussen het spoor en het buitengebied. Verder is toegelicht dat bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gold het vergroten van de kwaliteiten van dit groengebied. Daartoe is er in het plan onder meer in voorzien dat nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd aan de randen van het groengebied en dat het aanleggen van parkeervoorzieningen en het oprichten van gebouwen in de groenbestemmingen niet is toegestaan. Verder wordt een aantal bestaande woningen gesloopt. Daarmee worden zichtlijnen door het groen behouden of verder ontwikkeld en ontstaat een aansluiting op het groengebied aan de oostzijde van de Mellensteeg.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met onder meer de groenbestemmingen is gewaarborgd dat het streven om de zogenoemde Groene Long te versterken wordt verwezenlijkt.

Bouwvolumes

2.12. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben voorts bezwaren tegen de in het plan toegestane bouwvolumes. Zij betogen dat de bouwvolumes niet passen in de omgeving, omdat deze vele malen groter zijn dan het grootste bestaande bouwblok in de omgeving. Verder verhouden de maximale bouwhoogtes van onder meer het voorziene winkelcentrum en het nieuwe gezondheidscentrum zich niet met de hoogte van de bestaande woningen, aldus [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2].

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in een evenwichtige verhouding tussen bestaande bouw en nieuwe bouwmogelijkheden, zodat het stedenbouwkundig verantwoord is.

2.12.2. Ingevolge de planregels is de bouwhoogte van de voorziene woongebouwen en woonzorggebouwen ten hoogste 14 meter. Voor het gezondheidscentrum geldt een maximale bouwhoogte van 11 meter. Het winkelcentrum heeft een maximale bouwhoogte van 14 meter, dan wel - wat betreft het gedeelte boven de voorziene onderdoorgang - 16 meter.

2.12.3. Tussen partijen is niet in geschil dat zich in de directe omgeving van het plangebied vooral woningen met een maximale hoogte van circa 8 meter bevinden. Vaststaat dat het plan toelaat dat hoger wordt gebouwd dan de rondom het plangebied liggende bebouwing. Evenmin is in geschil dat de bij het plan toegestane bouwvolumes groter zijn dan die van bebouwing in de nabijheid van het plangebied. Gelet op de afstanden tussen de voorziene bebouwing en de bestaande bebouwing, alsmede de ruime opzet van het plangebied met aanzienlijke tussen de nieuwe bebouwing voorziene groenbestemmingen, is er echter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de voorziene bebouwing stedenbouwkundig verantwoord is.

Wateroverlast

2.13. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen voor een toename van overlast vanwege regenwater en grondwater. Volgens hen is daaromtrent ten behoeve van het plan onvoldoende onderzoek gedaan.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de realisering van het plan niet zal leiden tot extra overlast vanwege regenwater of grondwater.

2.13.2. Blijkens de plantoelichting is ten behoeve van de vaststelling van het plan een watertoets uitgevoerd. Verder is uiteengezet dat de wijk Oosterhaar vanwege de ligging in het Hunzedal aan de voet van de oostelijke flank van de Hondsrug in het algemeen een hoge grondwaterstand kent en dat ondanks de aanwezigheid van sloten en vijvers op een aantal plaatsen sprake is van wateroverlast. De raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van overleg met het waterschap Hunze en Aa's voor de vaststelling van het plan als uitgangspunt is gehanteerd dat binnen het plangebied zelf voldoende waterbergingscapaciteit wordt gecreëerd om een eventuele toename van waterafvoer te voorkomen alsmede om de bestaande wateroverlast te verminderen. In het verweerschrift is verder uiteengezet dat een separate hemelwaterafvoer in het plangebied wordt gecreëerd die afwatert op de Spoorsloot die is gelegen aan de westzijde van het plangebied en dat deze sloot ten behoeve hiervan wordt verbreed.

In het licht van het vorenstaande wordt in het niet nader onderbouwde betoog van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisering van het plan niet zal leiden tot extra overlast vanwege regenwater of grondwater.

Overige beroepsgronden

2.14. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen.

2.14.1. In de plantoelichting is ingegaan op de zienswijzen. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben in zoverre in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn.

Conclusie

2.15. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

431.