Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201108081/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van drie woningen op het perceel [locatie] te Rosmalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108081/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellante sub 2],

3. [appellant sub 3], allen wonend te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juni 2011 in zaken nrs. 09/5960, 09/5968 en 10/23 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellante sub 2],

[appellant sub 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van drie woningen op het perceel [locatie] te Rosmalen.

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 29 september 2008 in stand gelaten

Bij uitspraak van 10 juni 2011, verzonden op 16 juni 2011, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 17 november 2009 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2011, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2011, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 15 augustus 2011.

Bij besluit van 27 september 2011 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] gemaakte bezwaren tegen het besluit van 29 september 2008 opnieuw ongegrond verklaard en dat besluit met verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij brief van 18 oktober 2011 heeft [appellant sub 3] te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 27 september 2011.

[appellant sub 1], [appellant sub 3] en het college hebben nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder en [verkeerskundige], [appellante sub 2], bijgestaan door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.B.A.M. Gerritse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201108081/1/T1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 17 november 2009 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 12 juni 2012, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2012, heeft het college zijn besluit nader gemotiveerd.

Bij brieven van 26 juni 2012, 28 juni 2012 en 9 juli 2012 hebben respectievelijk [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] zienswijzen ingediend over de brief van 12 juni 2012.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 16 mei 2012 overwogen dat het besluit van 17 november 2009 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, omdat in het licht van het in hoger beroep overgelegde verkeerskundig rapport onvoldoende duidelijk is geworden dat automobilisten vanaf de uitweg van de Kerkehoek voldoende zicht hebben op het vanuit zuidelijke richting naderende verkeer en dat de door het college aangekondigde verkeersmaatregelen afdoende zijn om te waarborgen dat ter plaatse een vanuit oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbare situatie zal blijven bestaan.

De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om het besluit te herstellen door met inachtneming van overweging 2.6.6 alsnog toereikend te motiveren dat het zicht op vanuit zuidelijke richting naderend verkeer vanaf de uitweg van de Kerkehoek voldoende is of met daartoe door hem te nemen verkeersmaatregelen blijvend voldoende kan worden gewaarborgd en dat het bouwplan derhalve niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie.

2.2. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij brief van 12 juni 2012 gemotiveerd uiteengezet dat het zicht op het naderend verkeer vanuit zuidelijke richting voldoende is en de uitweg gelet op de historie van het gebruik van de huidige uitweg, de drukte op het fietspad en rijbaan ter plaatse zowel in de huidige als toekomstige situatie voldoet aan de redelijk te stellen eisen op het gebied van verkeersveiligheid. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat het met de Woningstichting Kleine Meijerij, eigenaar van de haag tussen het voetpad en het woonblok, is overeengekomen dat deze de haag tot een maximale hoogte van 0,90 meter zal terugsnoeien en op deze maximale hoogte zal houden. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat het de Woningstichting hiertoe op grond van artikel 2:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2012 (hierna: de APV) zal verplichten, indien deze afspraak niet wordt nagekomen. Het college heeft voorts te kennen gegeven dat bij deze hoogte van de haag het oprijzicht in zuidelijke richting vanaf de Kerkehoek door het aanwezige woonblok maximaal 40 meter bedraagt, hetgeen het college in dit geval voldoende verkeersveilig acht.

2.3. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in hun zienswijze een notitie van 25 juni 2012 van Verkeersadvies Zuid-Nederland overgelegd. Hierin is vermeld dat de toezegging van de Woningstichting niet garandeert dat de haag blijvend een maximale hoogte van 0,90 meter zal hebben en dat niet is ingegaan op de mate waarin de grote struik het uitzicht belemmert. Voorts is in de notitie vermeld dat er in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" uit 2004 (hierna: de ASVV) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW) voor het oprijzicht vanuit wordt gegaan dat het benodigde zicht van 65 meter vanaf 5 meter voor het kruisingsvlak aanwezig moet zijn, hetgeen hier niet het geval is. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze eveneens naar voren gebracht dat de toezegging van de Woningstichting geen garantie bevat dat de haag niet tot boven de 0,90 meter zal groeien en dat niet is ingegaan op de aanwezigheid van de struik en het woonblok. Evenmin heeft het college er rekening mee gehouden dat bewoners van het naastgelegen woonblok de Kerkehoek als uitweg zullen gaan gebruiken en dat veel verkeersbewegingen plaatsvinden op de Rodenborchweg en het fietspad, aldus [appellant sub 3].

2.3.1. Het college heeft onweersproken gesteld dat de haag maximaal 0,90 meter hoog mag zijn om vanuit de auto over de haag heen zicht te kunnen hebben op het vanuit zuidelijke richting naderende verkeer dat zich op de Rodenborchweg bevindt. Gelet op de met de Woningstichting gemaakte afspraken en de toezegging van het college dat de Woningstichting zonodig met toepassing van artikel 2:6 van de APV zal worden verplicht de haag op een maximale hoogte van 0,90 meter te houden, is voldoende gewaarborgd dat de haag tussen het voetpad en het woonblok verlaagd zal worden en zal blijven tot een hoogte van maximaal 0,90 meter. Daarbij komt dat vrijstelling en bouwvergunning aan [vergunninghouder] is verleend en niet aan de Woningstichting, zodat een rechtens afdwingbare verplichting ten aanzien van de Woningstichting niet als voorschrift aan het desbetreffende besluit kan worden verbonden.

Weersproken is evenmin de stelling van het college dat het oprijzicht in zuidelijke richting op 4,5 meter voor het kruisingsvlak maximaal 40 meter is door het aanwezige woonblok. Weliswaar voldoet het oprijzicht vanaf de uitweg van de Kerkehoek hiermee niet aan de ASVV-aanbevelingen van het CROW, maar het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een afstand van 40 meter in dit geval voldoende verkeersveilig moet worden geacht bij het uitrijden vanaf de uitweg van de Kerkehoek. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college niet verplicht is de ASVV-aanbevelingen te volgen. Het college heeft derhalve vrijheid om in afwijking van de aanbevolen normen op de plaatselijke situatie afgestemde voorzieningen te realiseren. Gelet op het beperkte gebruik van de uitweg van de Kerkehoek en het feit dat in de ASVV is vermeld dat de theoretisch benodigde zichtafstanden in de praktijk vaak niet te realiseren zullen zijn, heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat een oprijzicht van 40 meter in dit geval niet tot een onaanvaardbare verkeerssituatie zal leiden. Voor de juistheid van de stelling van [appellant sub 3] dat de uitweg ook door bewoners van het naastgelegen woonblok zal worden gebruikt, bestaan geen aanknopingspunten, zodat het college hiermee in de belangenafweging geen rekening heeft hoeven houden. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd met betrekking tot de verkeersdrukte op het fietspad en de Rodenborchweg wordt evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de verkeerssituatie ter plaatse is uitgegaan van onjuiste gegevens over het gebruik van het fietspad en de Rodenborchweg.

In zoverre falen de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.3.2. Het college is in de brief van 12 juni 2012 echter niet ingegaan op de mate waarin de grote struik, aan het einde van de haag naast het woonblok, het zicht vanuit de auto in zuidelijke richting kan belemmeren, zodat het niet inzichtelijk heeft gemaakt of deze struik invloed heeft op het door het college gestelde aanwezige oprijzicht van 40 meter, hoewel dit het college in overweging 2.6.6 in verbinding met 2.6.5, laatste volzin van de tussenuitspraak wel was opgedragen. Gelet hierop is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet volledig hersteld. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken opnieuw te beslissen op de gemaakte bezwaren.

De zienswijzen slagen in zoverre.

2.4. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de hoger beroepen gegrond. Echter, nu de rechtbank het besluit van 17 november 2009 heeft vernietigd, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Gelet op hetgeen in 2.3.2 is overwogen kan het besluit van 27 september 2011 evenmin in stand blijven en dient dit besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De tegen het besluit van 27 september 2011 gerichte beroepen zijn gegrond.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] een zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren hebben gebracht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 27 september 2011, kenmerk SO/JUR 13655 + 13660, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 27 september 2011, kenmerk SO/JUR 13655 + 13660;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het van rechtswege ontstane beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderd en elf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan zowel [appellante sub 2] als aan [appellant sub 3] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

604.