Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110203/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, B bij E, C en C bij E in het rijbewijzenregister te registreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110203/1/A3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 augustus 2011 in zaak nr. 10/1242 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, B bij E, C en C bij E in het rijbewijzenregister te registreren.

Bij besluit van 15 november 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam in zijn dienst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, worden, op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, verklaringen van geschiktheid door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen voldoet. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, eerste volzin, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel aan de bij ministeriële regeling ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën, waarop de aanvraag betrekking heeft, gestelde eisen voldoet, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, zoals die ten tijde van belang luidde, worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 onder de aanduiding "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" opgenomen dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die van dergelijke middelen misbruik maken zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar met dit misbruik zijn gestopt, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd, voordat zij door middel van herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid, aldus die passage.

2.2. Het CBR heeft aan het besluit van 15 november 2010 ten grondslag gelegd dat de psychiater/neuroloog die [appellant] op 17 augustus 2010 heeft gekeurd tot de conclusie alcoholmisbruik is gekomen. [appellant] heeft volgens het rapport van die keuring een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik en een verhoogde tolerantie. Bij hem zijn verhoogde waarden van gamma-GT en ALAT gevonden. Niet is gebleken van mogelijk andere oorzaken voor die waarden, zoals non-alcoholische ziekten. Volgens het rapport heeft [appellant] tolerantie, aangezien hij pas na vier flesjes bier, dat wil zeggen zes alcoholische eenheden, effect van alcohol bemerkt.

Naar aanleiding van de door de keurend arts aldus gestelde diagnose alcoholmisbruik, heeft het CBR [appellant] ongeschikt geoordeeld voor het besturen van motorrijtuigen en om die reden de gevraagde registratie geweigerd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR zich niet op het rapport van de keurend arts mocht baseren. De licht verhoogde waarden hebben een andere oorzaak dan alcoholmisbruik en de verklaring voor de omstandigheid dat hij pas na vier flesjes bier een effect van alcohol bemerkt moet veeleer worden gezocht in het tijdsbestek, waarin hij de alcohol nuttigt en zijn gewicht, geslacht en aangeboren eigenschappen, aldus [appellant].

2.3.1. Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1), bestaat in een geval, waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

De rechtbank heeft dat terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 mei 2011 in de zaak nr. 201009932/1/H3), is het niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of de medische bevindingen van de deskundige juist zijn of een eigen oordeel daarvoor in de plaats te stellen. [appellant] heeft geen bericht van een medisch deskundige overgelegd, waarin de diagnoses van de keurend arts worden weersproken.

De door [appellant] in het geding gebrachte informatie van de Maag Lever Darm Stichting is algemeen van aard, zodat deze zonder een op onderzoek van [appellant] gebaseerde diagnose, geen afbreuk aan de conclusies van het onderzoek kan doen. Voorts blijkt uit de door [appellant] in beroep ingebrachte rapportage van een internist-endocrinoloog van 2 mei 2011 en de in bezwaar ingebrachte verklaring van een huisarts van 6 september 2010 niet van gebreken in de rapportage in evenbedoelde zin. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het CBR zich niet op basis van het medisch oordeel van de keurend arts op het standpunt mocht stellen dat [appellant] ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

176-597.