Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110639/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/859
AB 2012/326

Uitspraak

201110639/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Wergea, gemeente Boarnsterhim,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 september 2011 in zaak nr. 10/2101 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 28 september 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] is sinds 22 januari 1981 eigenaar van het perceel met opstallen, plaatselijk bekend als [locatie] te Wergea (hierna: de onroerende zaak). Het ten (zuid)westen van de onroerende zaak gelegen gebied (hierna: het plangebied) was onder het ter plaatse als bestemmingsplan geldende 'Uitbreidingsplan in hoofdzaak' van de toenmalige gemeente Idaarderadeel van 27 april 1965 (hierna: het oude bestemmingsplan) voor 'Uitbreiding in verdere toekomst' bestemd. Ingevolge artikel 11 van de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften mocht op gronden met die bestemming geen bebouwing worden opgericht alvorens een nader gedetailleerd uitbreidingsplan in onderdelen rechtskracht had verkregen.

2.2. Aan het verzoek om een tegemoetkoming in planschade heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de bestemming van het plangebied bij het bestemmingsplan 'Wergea-West Fase 1 en 2 (Grut Palma)' van 13 december 2005 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) in 'Woongebied' is gewijzigd en dat dit het realiseren van een woonwijk mogelijk heeft gemaakt. Volgens [appellant] heeft dit tot een verlies aan uitzicht en privacy en tot een toename van hinder geleid en is de waarde van de onroerende zaak hierdoor verminderd.

2.3. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade heeft het college ten grondslag gelegd dat de planschade voor rekening van [appellant] blijft, omdat uit de bestemming van het plangebied onder het oude bestemmingsplan valt af te leiden dat woningbouw in het plangebied ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voorzienbaar was, zodat [appellant] wordt geacht het risico te hebben aanvaard dat de planologische situatie in het plangebied in zijn nadeel zou veranderen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) op de aanvraag van toepassing. Daartoe voert hij aan dat de aanvraag op 10 januari 2007 is ingediend.

2.4.1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wro in werking getreden.

2.4.2. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge het tweede lid geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van deze wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

2.4.3. Bij brief van 10 januari 2007, bij de gemeente binnengekomen op 11 januari 2007, heeft [appellant] het college verzocht om vergoeding van planschade. Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het college deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Bij aanvraagformulier van 24 mei 2007, bij de gemeente binnengekomen op 30 mei 2007, heeft [appellant] het college opnieuw verzocht om vergoeding van planschade. Bij brief van 21 juni 2007 heeft hij deze aanvraag ingetrokken. Bij aanvraagformulier van 18 november 2008, bij de gemeente binnengekomen op 20 november 2008, heeft [appellant] het college andermaal verzocht om vergoeding van planschade.

2.4.4. Omdat die laatste aanvraag in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010 is ingediend en het nieuwe bestemmingsplan in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 in werking is getreden, brengt artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening met zich dat afdeling 6.1 van de Wro, met uitzondering van artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, op de aanvraag van toepassing is.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de planologische wijziging op de gronden voorzienbaar was en dat de planschade voor rekening van [appellant] dient te worden gelaten. Daartoe voert hij - samengevat weergegeven - aan dat het plangebied feitelijk steeds voor agrarische doeleinden is gebruikt, dat het bestemmingsplan niet binnen de in artikel 33 van de WRO gestelde termijn van tien jaar is herzien, dat hij voorafgaand aan de aankoop van de woning desgevraagd van ambtenaren van de gemeente te horen heeft gekregen dat de feitelijke situatie op het plangebied niet zal veranderen en dat het college voornemens was de uitbreiding van Wergea elders te realiseren.

2.5.1. Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

2.5.2. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, is de planschade voorzienbaar en blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling te hebben aanvaard.

2.5.3. Op grond van de bestemming van het plangebied onder het oude bestemmingsplan ('Uitbreiding in verdere toekomst') had [appellant] bij de aankoop van de onroerende zaak, als redelijk denkend en handelend koper, rekening kunnen houden met de kans dat vroeg of laat een uitwerkingsplan zou worden vastgesteld en dat het plangebied voor de uitbreiding van Wergea zou worden gebruikt, zodat de planologische situatie aldaar voor hem in ongunstige zin zou kunnen veranderen. Dat destijds deze bestemming nog niet was uitgewerkt en het plangebied jarenlang voor agrarische doeleinden was gebruikt, doet aan de voorzienbaarheid van de planologische wijziging niet af, omdat de feitelijk situatie daarvoor niet bepalend is. Voorts was de in artikel 33 van de WRO gestelde termijn niet fataal en betekent het overschrijden van deze termijn niet dat het oude bestemmingsplan sindsdien geen rechtskracht meer had. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat, voorafgaand aan de aankoop van de onroerende zaak, door ambtenaren van de gemeente uitlatingen zijn gedaan waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het college niet aan de uitwerkingsplicht zou voldoen, nog daargelaten of deze ambtenaren bevoegd waren om namens het college ter zake van de uitwerkingsplicht bindende toezeggingen te doen. Voor zover het college in de periode na de aankoop van de onroerende zaak gedurende langere tijd het voornemen had geen bebouwing op het plangebied te realiseren, kan ook daaraan niet de door [appellant] gewenste betekenis worden toegekend, reeds omdat, zoals de Afdeling eerder (onder meer bij uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201101503/1/H2, JB 2012/32) heeft overwogen, voor het antwoord op de vraag of een planologische wijziging buiten het eigen perceel voor de desbetreffende aanvrager voorzienbaar was, uitsluitend de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang is.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de planologische wijziging in het plangebied voorzienbaar was en dat de planschade voor rekening van [appellant] dient te worden gelaten.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

452.