Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201200975/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Haaksbergen-dorp, partiële herziening Frankenhuisterrein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200975/1/R1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haaksbergen,

en

de raad van de gemeente Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Haaksbergen-dorp, partiële herziening Frankenhuisterrein" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2012, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door ir. R.R.S. Jacobs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Bouw Hengelo B.V., vertegenwoordigd door N. van der Zee, werkzaam bij de vennootschap, en bijgestaan door mr. P.C.M. Heinen, advocaat te Arnhem, en de stichting Woningstichting Domijn, vertegenwoordigd door F.J.H. Strabbing, werkzaam bij de stichting, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied ligt ten westen van het centrum van Haaksbergen. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het voormalige Frankenhuisterrein door realisering van woningbouw.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw, voor zover hier van belang, wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20, thans: 11, woningen in een aaneengesloten gebied.

Nu het bestreden besluit is vereist voor de ontwikkeling dan wel verwezenlijking van een gebied ten behoeve van de bouw van 92 woningen, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat onduidelijk is in hoeveel woningen het plan voorziet, overweegt de Afdeling dat in artikel 7, lid 7.2.1, onder b, van de planregels is bepaald dat het plan voorziet in maximaal 92 woningen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte mogelijk maakt dat ten zuiden van zijn woning, gelegen aan de [locatie], bebouwing kan worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 5 m. Door het opnemen van het desbetreffende bouwvlak op de verbeelding worden in het plan twee bouwvlakken voor aaneengebouwde woningen met elkaar verbonden. [appellant] vreest als gevolg hiervan voor aantasting van zijn privacy en beperking van zijn uitzicht. In andere delen van het plangebied, waar eveneens bouwvlakken voor aaneengebouwde woningen zijn voorzien, worden de bouwvlakken niet op dergelijke wijze met elkaar verbonden, aldus [appellant].

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ligging van het bouwvlak waartegen [appellant] zich richt, een bepaalde verkaveling mogelijk maakt en dat deze verkaveling uit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is. Volgens de raad brengt het plan slechts een beperkte inbreuk op de privacy van [appellant] met zich. De raad licht in dat verband toe dat tussen de woning van [appellant] en het bouwvlak waartegen [appellant] zich richt, een druk bereden fietspad is gelegen, zodat de privacy van [appellant] aan die zijde van zijn woning reeds beperkt is. Voorts is de raad van mening dat de bebouwing geen onaanvaardbare beperking van het uitzicht van [appellant] tot gevolg heeft.

2.4.2. Op de verbeelding is een bouwvlak getekend ter hoogte van de Goorsestraat. Het bouwvlak heeft de bestemming "Wonen". Voor het zuidelijke gedeelte van het bouwvlak geldt een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 m en geldt de aanduiding "aaneengebouwd". Voor het noordelijke gedeelte van het bouwvlak geldt een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m en geldt tevens de aanduiding "aaneengebouwd". Voor het gedeelte van het bouwvlak dat tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte ligt geldt een maximale bouwhoogte van 5 m.

2.4.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, b, g en h, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden woningen, ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" uitsluitend aaneengebouwde woningen, met de daarbij behorende erven, tuinen en paden en parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 7.2.1, aanhef en onder b, mag het gezamenlijk aantal wooneenheden binnen de bestemming "Wonen" niet meer bedragen dan 92.

Ingevolge artikel 1, lid 1.7, is een aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde een gestapelde woning.

2.4.4. Indien op het in geding zijnde bouwvlak bebouwing zal worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 5 m, is aannemelijk dat vanuit de bebouwing uitzicht bestaat op het perceel van [appellant]. Echter, gelet op de afstand van ongeveer 12 m, onderscheidenlijk 18 m van het perceel en de woning van [appellant] tot het in geding zijnde bouwvlak ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de gevolgen voor de privacy aanvaardbaar heeft kunnen achten. Voorts overweegt de Afdeling dat, gelet op genoemde afstanden, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant] niet in onaanvaardbare mate wordt aangetast.

2.5. [appellant] betoogt dat de woningbouw die is voorzien in het plangebied, gelet op de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) op een te korte afstand ligt van het in de nabijheid van het plangebied gelegen Museum Buurt Spoorlijn (hierna: MBS). Voorts worden de woningen ten onrechte voorzien binnen de hindercirkel van het MBS, aldus [appellant]. Volgens [appellant] kan derhalve voor de bewoners van de voorziene woningen geen goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, onder meer omdat de bewoners geluidoverlast van het MBS zullen ondervinden.

2.5.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/2010, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

2.5.2. Met betrekking tot het beroep van [appellant] op de afstandsnorm die in de VNG-brochure voor de categorie inrichtingen waartoe het MBS behoort is opgenomen, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 19 januari 2011, in zaak nr. 201006426/1/R2, dat [appellant] zich niet op de in geding zijnde afstandsnorm kan beroepen. Voor [appellant] gaat het immers om het belang dat hij gevrijwaard blijft van de aantasting van zijn uitzicht en meer in het algemeen om het belang van het behoud van zijn woonomgeving. Wat er ook verder zij van die belangen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, de in geding zijnde afstandsnorm voor de nieuw op te richten woningen tot het MBS heeft niet de strekking die belangen te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat, daargelaten of deze beroepsgrond indien de Chw niet van toepassing zou zijn zou slagen, de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 1.9 van de Chw er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

2.6. [appellant] betoogt dat het plan niet financieel uitvoerbaar is. Hij stelt in dat verband dat de gemeente en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Frankenhuis B.V., voormalig eigenaar van het Frankenhuisterrein, een overeenkomst hebben gesloten, waarbij sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

2.6.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad bij de vaststelling van het plan op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd.

Dit geldt, gelet op het van het Europese recht deel uitmakende gelijkwaardigheidsbeginsel, ook in het geval dat wordt aangevoerd dat in een strijdigheid van de realisatieovereenkomst met het recht van de Europese Unie een beletsel is gelegen voor de uitvoerbaarheid van het plan (zie constante rechtspraak sinds het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1976, 33/76, Rewe (www.eur-lex.europa.eu)).

2.6.2. Aan het in 2.6.1. geformuleerde criterium is niet reeds voldaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat de staatssteun, die plaats heeft of heeft gehad, kan worden teruggevorderd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. 200905023/1/R3, dient ook aannemelijk te worden gemaakt dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

Ter zitting is gebleken dat Frankenhuis B.V. geen partij is bij de in het plan voorziene ontwikkeling die wordt uitgevoerd door Dura Vermeer Bouw Hengelo B.V. Reeds daarom is niet aannemelijk gemaakt dat een mogelijke terugvordering van de ongeoorloofde staatssteun, wat daar ook van zij, met zich brengt dat de in het plan voorziene ontwikkeling niet financieel-economisch uitvoerbaar is. Het aangevoerde geeft derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

191-668.