Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201201768/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Weitjes Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201768/1/R2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Goes,

en

de raad van de gemeente Goes,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Weitjes Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2012.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Koole en drs. M.L. van Mackelenbergh, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Met het plan wordt beoogd om de realisatie van een nieuw schoolgebouw ten behoeve van het Goede Lyceum van de Stichting Scholengemeenscap Pontes mogelijk te maken. Het plan voorziet daarnaast in sport- en spelgerelateerde functies in een groene omgeving.

Het plangebied is gelegen in de overwegend groene onbebouwde ruimte tussen Goes en Kloetinge.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad betoogt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is omdat [appellant] geen belanghebbende is en hij voorts geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. De woning van [appellant] is gelegen op een afstand van ongeveer 50 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand in samenhang bezien met de ruimtelijke uitstraling van een schoolgebouw zoals dat door het plan mogelijk wordt gemaakt, is [appellant] belanghebbende bij het plan.

2.2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is onder meer sprake indien het beroep is gericht tegen een onderdeel van het plan dat eerst bij gewijzigde vaststelling daarin is opgenomen en voor zover de belanghebbende daardoor in een ongunstiger positie is gebracht ten opzichte van het ontwerpplan.

2.2.4. [appellant] heeft geen zienswijzen tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Het beroep van [appellant] is gericht tegen een regel en een aanduiding die eerst bij gewijzigde vaststelling daarin zijn opgenomen. Nu deze planonderdelen ten opzichte van het ontwerpplan meer omvangrijke ontwikkelingen mogelijk maken, is [appellant] in zoverre in een ongunstiger positie gebracht ten opzichte van het ontwerpplan. Het kan hem in zoverre redelijkerwijs niet worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpplan. Derhalve is zijn beroep ontvankelijk.

Inhoudelijke aspecten

2.3. [appellant] kan zich niet verenigen met de verruiming van het bebouwingspercentage binnen de bestemming "Maatschappelijk" van 70% naar 75% en de verruiming van de mogelijkheid om voor ondergeschikte onderdelen van gebouwen af te wijken van de bouwgrenzen zoals weergegeven op de planverbeelding van 1,50 naar 3,00 meter. [appellant] betoogt dat deze verruimingen niet voldoen aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening en vreest dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning daardoor ernstig zal worden aangetast.

2.3.1. Ingevolge de aanduiding op de planverbeelding is ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk" een maximaal bebouwingspercentage van 75% toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2, sub a, van de planregels mogen de bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, erkers, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 3,00 meter.

2.3.2. [appellant] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting onderbouwd waarom vanwege de verruiming van het bebouwingspercentage binnen de bestemming "Maatschappelijk" van 70% naar 75% en de verruiming van de in artikel 10, lid 10.2, sub a, van de planregels vervatte afwijkingsmogelijkheid van 1,50 naar 3,00 meter geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogelijk is ter plaatse van zijn woning of anderszins niet wordt voldaan aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

Conclusie

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

579-743.